Málaga blijft altijd Málaga

Een man heeft soms iets goed te maken.
Als hij de favoriete panty van vrouwlief als oliefilter gebruikt heeft bijvoorbeeld.
Zo’n actie die op het moment zelf een subliem idee lijkt, maar achteraf opeens een heel stuk minder blijkt te zijn.
‘Zeg, hier zat toch het kousenwinkeltje?’ Renata wijst naar het pandje op de hoek van de Plaza de los Mártires .
Inderdaad, dat zat er, alleen heeft het nu een make-over ondergaan van kousen naar … schoenen!
En wat voor schoenen. Stuk voor stuk zijn ze prachtig, kleurrijk en zo te zien van uitstekend materiaal. Maar als ik de cijfers zie die me naast al het voetenfraais toegrijnzen moet ik toch even slikken. Een beetje genoegdoening is leuk, maar dit…
Nog voor ik Renata op andere gedachten kan brengen is ze binnen. Ik hou mijn hart vast.
Gelukkig vindt uiteindelijk zelfs deze schoenverslaafde al het moois ietwat aan de prijzige kant.
‘Ik ben bang dat ik eerst nog een tijdje moet sparen,’ schudt ze mismoedig het hoofd.
‘Zullen we kijken of La Casa de Grund open is?’ opper ik, hopend dat een hapje met het meest spectaculaire uitzicht van Málaga haar stemming weer een beetje op zal krikken.

diariosur

De wisseling van de wacht in het pandje verbaast me overigens niet. Dingen verschijnen en verdwijnen momenteel in zo’n rap tempo in Málaga dat het niet meer bij te houden is. Elke keer als ik door de stad loop zie ik weer nieuwe winkeltjes en restaurantjes.
De crisis mag dan niet helemaal voorbij zijn in Spanje, hier in Málaga is de ondernemersgeest duidelijk uit de fles.
Of het nu door de vaart der volkeren, de toestroom van toeristen of een toename van draagkrachtige investeerders komt, geen idee, maar op elke trend wordt ingehaakt.
Was een natuurvoedingswinkel tien jaar geleden nog een abstract fenomeen en gelijk de spreekwoordelijke speld in een hooiberg, nu heeft iedereen een eigen herborsteria binnen handbereik om tofu, voedingssupplementen en prijzige theetjes op te scharrelen.
En wat te denken van bier? Vroeger uitsluitend het terrein van alternatieve bierbrouwerijtjes, nu is er in elke straat van betekenis wel een speciaalbierwinkel of -café te vinden.
De hamburguesa heet opeens hamburguer, het café-restaurante een gastrobar en het zou me niet verbazen zomaar een boqueron verpakt in sushirijst voor mijn neus gezet te krijgen.
Niks mis mee natuurlijk, die verandering, maar wel ingewikkeld.
Want hoe kom je erachter of die zogenaamde trend of nieuwe formule niet een manier is om snel geld te verdienen in plaats van een lekkere spannende hap?
Het kan namelijk vriezen en dooien heb ik gemerkt.
De nieuwe gastrobar aan calle Carreteria valt wat mij betreft onder de eerste noemer, Mainake op de hoek van de Pasaje de Campos daarentegen is beslist ‘een lekkere hap’.
Maar dit terzijde.

Waar iets nieuws verschijnt, verdwijnt meestal ook iets en in de wijk Soho, waar we nu op weg naar La Casa de Grund lopen, merk je dit het beste.
De ontwikkelingen volgen elkaar hier in golven op, waarbij iedere nieuwe de voorgaande grotendeels teniet doet.
Was het eerst een rosse buurt, daarna werd het een creatief epicentrum van kunstenaars en alternatieve zaakjes, en nu barst het er van de boetiekhotels, sterrenhotels, luxe, trendy restaurants en speciaalzaken, stuk voor stuk gericht op een overvolle portemonnee.
Gelukkig zie ik dat de eeuwenoude club “De Konijntjes” zich tussen al dit gentrificatiegeweld moedig staande weet te houden.
Maar de dichtgetimmerde voorgevel van café Lolita verteld weer een ander verhaal.

flamenco-show-lolita‘Dat was een leuk tentje, hé?’
‘Zeker weten,’ beaam ik.
Wat heb ik er genoten. Het was een café waar je buurvrouw spontaan in zingen kon uitbarsten en een dronkenlap zich ontpopte tot een onontdekte Paco de Lucia; als er iets de alma van flamenco uitademde was het deze stek wel. De sluiting heeft iets te maken met burengerucht, gemeentelijke verordeningen en concurrerende toeristententen, zegt men. Het zal wel, ja.
Ongemerkt slaak ik een diepe zucht
‘Kom op, joh, niet zo somber! Hier is Grund al.’
Renata sleurt me de deur in.
La Casa de Grund is een van onze geheimpjes. Het is geen restaurant maar een multidisciplinair gemeenschapscentrum in een werkelijk schitterend gebouw.

mymadnessEr wordt hier van alles georganiseerd op het gebied van kunst, cultuur en gezondheid. Artiesten kunnen er exposeren, er zijn allerlei workshops, zoals yoga, tai chi maar ook Afrikaanse dansen, kortom: een bruisende plek. yoga_by_charoEn… eens in de week, toevallig vandaag dus, kan je er op het dakterras voor tien euries heerlijk veganistisch eten, met het voornoemde fantastische uitzicht dus.

Beduusd lopen we twee uurtjes later via de Passeo del Muelle Uno terug naar huis.
Niet vanwege het eten, dat was als vanouds heerlijk.
Ook niet vanwege de ambiance, die was om je vingers bij af te likken.
Nee, vanwege het feit dat het onze laatste keer in La Casa de Grund was. Als toetje kregen we namelijk te horen dat ze gaan sluiten.
‘Nou, de snelle jongens met de bakken geld zullen wel klaarstaan om die tent over te nemen.,’ zeg ik, balend als een stekker. ‘Ik hoop niet dat dit met alle fijne plekken gaat gebeuren. Dan wordt het hier één grote toeristenfuik, een tweede Barcelona. En dan ben ik weg.’diario-sur
Mijn oog valt op de enorme cruiseschepen die aan het eind van de haven voor anker liggen. Ik tel er zes, de ene nog groter en imposanter dan de andere.
Oei, het zou weleens sneller kunnen gaan dan me lief is.

Bijna thuis klinkt ineens muziek uit een zijstraatje. Zo te horen is het live.
‘Zullen we even gaan kijken?’ Voor Renata werkt muziek als een rode lap.
Even later staan we voor de deur van een voor ons totaal nieuwe gelegenheid.
Nog voor we kunnen besluiten of we wel of niet naar binnen zullen gaan, komt er een man naar buiten.
Hola chicos! Entra, entra!!’ Met zachte dwang loodst hij ons snel naar binnen.
Het kost ons tien minuten om bij de bar te komen voor een glas wijn en nog eens vijf om een vrij plekje tegen een muur te vinden vanwaar we de muzikanten goed kunnen zien, zo druk is de tent met Malagueños, zowel jong als oud. De sfeer is uitgelaten, iedereen heeft het duidelijk super naar zijn zin.
En wij ook.
Want één ding staat voor ons nu als een paal boven water: Málaga blijft altijd Málaga, hoe druk het er ook wordt.
Hooguit verplaatst alles zich een beetje.

Geplaatst in Blog | 7 Reacties

Rust roest

‘Wat een relaxt land is Spanje toch,’ verzucht Jan, die bleekneuzig, stijf van de stress en compleet uitgewoond op de campo aankwam en nu, na een week haperend internet, zon, rust en goede zorgen weer volledig opgeladen terug naar het noorden gaat.
‘Spanjaarden weten tenminste hoe ze moeten leven! Alles tranquilo. En dan die siësta, dat moeten ze in Nederland ook invoeren,’ mijmert Astrid, die in de hangmat ligt te soezen met een mojito binnen handbereik.
‘Geweldig toch, dat mañana-gevoel,’ zwijmelt Wim aan het ontbijt, wanneer onze arbanil voor de derde dag op rij niet op komt dagen. ‘Nooit haast, gewoon komen wanneer je er zin in hebt …’
‘Echt waar? Hebben kinderen hier twéé maanden zomervakantie?’ vraagt Ineke fluisterend, bang dat haar kinderen het horen en niet meer terug naar Nederland willen .
‘Moet je kijken, aan de overkant, die lui daar in pak!’ Vol ongeloof schudt Sjors met zijn derde biertje voor zijn neus zijn hoofd. ‘Zitten al zeker anderhalf uur uitgebreid te lunchen. Moeten ze niet eens terug naar kantoor? Dat hoef ik bij mijn baas niet te flikken: ik krijg net genoeg tijd om een paar boterhammen achter de computer weg te schrokken.’

Spanje is luilekkerland.
En het zijn niet alleen de vakantiegangers die daarvan overtuigd zijn, ook in de media duikt deze mening om de haverklap op: een ontspannen levensstijl in combinatie met een Mediterraan dieet zorgt ervoor dat Spanjaarden langer en gezonder leven dan de gemiddelde wereldburger.
Rust is dus goed voor een mens.

Als de eerste nazomerse zonnestralen over de bergrug kruipen hoor ik de auto van Roberto aankomen; het gehijg en gepuf van de motor is onmiskenbaar.
Roberto onderhoudt ons terrein. Hij maait het onkruid, snoeit de bomen en plukt de olijven en amandelen. Als betaling houdt hij de oogst.
De hele dag zie ik hem zich rondom in het zweet werken en net als ik even voor zonsondergang besluit dat het niet te gek moet worden, pakt hij zijn biezen en racet naar huis om nog boodschappen te kunnen halen met moeders de vrouw.
De volgende dag voltrekt zich volgens hetzelfde schema.
En de dagen daarop ook.
Tot de zondag, want die staat in het teken van de schoonfamilie.
Zes dagen per week elf tot twaalf uur werken – oké, eerlijk is eerlijk, met inderdaad een onderbreking van anderhalf uur voor een middaghap/siësta – en op zondag de familie afschuimen: het klinkt niet als luilekkerland.
En uit ervaring met andere harde werkers zoals onze arbanil en fontanero weet ik dat het ritme van Roberto geen uitzondering is.
De beroemde ontspannen Spaanse levensstijl moet dus in de overige twaalf uren van de dag verborgen zitten.
Na aftrek van reistijd, huishouden, kinderen en boodschappen doen stel ik me half Spanje voor met een pot bier voor de buis.
En dan op tijd naar bed om er de volgende dag weer tegenaan te kunnen.
Zoiets moet het zijn. Het kan niet anders.
Waar haalt de Spanjaard anders de rust vandaan om aan het Mediterrane plaatje te beantwoorden?

Mijn zelfbeeld vertelt me dat ik over een redelijke conditie van nachtbraker/feestbeest beschik: dansfeestjes van tien uur ’s avonds tot in de kleine uurtjes of thuiskomen bij het eerste krieken van de zon, ik draai er mijn hand niet voor om.
In Nederland, tenminste.
Maar hier in Málaga ligt het allemaal net even anders.
Ik ben er al weken niet in geslaagd om die ene muziekkroeg op dinsdag te checken en moet schoorvoetend bekennen dat dit komt omdat ik rond hun openingstijd al half in slaap ben gesukkeld.
Vandaag ben ik er echter van overtuigd dat het me gaat lukken. Zoon Jahua komt laat in Málaga aan, met eeuwige honger dus moet eerst gevoederd worden en zo vullen de uren zich als vanzelf.
Een eind na middernacht vallen we bij de jamsessie binnen.
Alleen, het café is bijna leeg, de boel wordt nog opgebouwd.
Twee uur en een paar peperdure drankjes later komen we tot de slotsom dat je voor leven in de brouwerij hier toch echt pas na drieën binnen moet vallen.
Omdat de portemonnee inmiddels leeg is en mijn accu ook (mijn zelfbeeld als nachtbraker is daarentegen een deuk rijker) druipen we af naar huis.
En dat terwijl er in het weekend een dansfeest aan zit te komen…

Ik hang over het balkon van de Casa del Perro, mijn favoriete restaurantje, en leg Ana mijn nachtbrakersprobleem voor.
‘Zaterdag willen we naar een 24-urig dansfeest en de deuren gaan om één uur ’s nachts open. Maar eer zo’n feestje een beetje op gang komt is het al gauw drie, vier uur… hoe blijven Malagueños in godsnaam wakker en fris tot die tijd?’
‘Niet thuis zitten! Gewoon de stad in gaan. Een terrasje, een hapje eten, maar nooit thuis gaan zitten, dat is mortal.’
Dat is duidelijk. En Ana heeft genoeg ervaring, weet ik.
Dan valt mijn blik op de eeuwig gesloten deuren van de kroeg naast het restaurant.
‘Een ander vraagje: gaat het café hiernaast wel eens open? Ik heb er nog nooit iemand gezien.’
‘Natuurlijk wel. Maar pas om zes uur in de morgen. Het is een café voor mensen die aan het eind van de nacht nog een afzakkertje willen. Als wij hier om elf uur ’s ochtends aankomen om de lunch voor te bereiden rollen die vaak als halve zombies naar buiten. Die hebben er dan een aardig nachtje op zitten.’

Zaterdagavond half elf.

Er is een kinderdisco op straat. Naast groepjes giechelende tienermeisjes en stoere puisterige tienerjongens zijn er ouders met peuters en kinderwagens. Ook oma doet een dansje.

termica-01377
Half twaalf.
Een grote tafel twintigers maakt zich op voor de maaltijd, de meiden fris in de make-up, de jongens keurig in pak.
Achter hen rollen een vijftal Engelse dames reeds dronken over de straat.
Half een.
De straten zijn nog steeds gevuld met flanerende en voor het weekend opgedofte mensen. Onder de passanten herken ik mijn tachtigjarige overbuurvrouw, mét echtgenoot en een koppel vrienden dat haar zo te zien in leeftijd nog overtreft.
De normaal enigszins kromgebogen en vermoeide vrouw oogt midden in de nacht vief en fit, in ieder geval nog lang niet klaar voor een nacht achter de gebreide broek.
Het valt me nu pas op: er lopen opvallend veel oudere mensen tussen het flierefluitende uitgaanspubliek.
Dat moet dat mediterrane dieet zijn.
Half twee.
We zijn ondertussen een café ingedoken, het is er stampvol.
Ondanks het kabaal van rinkelende glazen, schreeuwende mensen en muziek weet ik een enorme geeuw niet te onderdrukken.
Even later begin ik te knikkebollen en hang/sta halverwege de bar en een barkruk.
‘Kom op, ma, we gaan naar huis,’ oppert zoon kordaat en sleept me mee de frisse buitenlucht in.
‘Misschien kan je beter ’s ochtends bij zo’n feestje inhaken,’ fluistert hij wanneer hij me even later instopt.
De volgende dag zet ik mijn zelfbeeld van nachtbraker bij het grofvuil.

c4eae1bbd7c56d2015591499318b8b6d-no-sleep-go-to-sleep
En die Spaanse ontspannen levensstijl? Het blijkt gewoon keihard werken onder het motto: rust roest en slapen doen we nog wel een keer.

Geplaatst in Blog | 8 Reacties

Papieren tijgers

‘¿Hola? Josefoes Antonioes Hennekam? ¡Escucha! U heeft een schuld van 500 euro bij ons uitstaan. We gaan nú juridische stappen ondernemen, dus daar komt nog een flinke boete bovenop.’
‘Sorry, maar met wie spreek ik?’
‘Met Carlos G., advocaat van de parkeerplaats.’
‘Huh? Advocaat van de parkeerplaats?’
‘Ja…’ een diepe zucht blaast in mijn oor, ‘… die onder het voetbalveld.’ Punt. ‘Waar u een parkeerplaats hebt.’ Punt. ‘Volgens Señora Maria J. bent u de nieuwe eigenaar van no. xxx.’ De laatste nadrukkelijke stilte wordt gevolgd door nog een zucht.
Muchas gracias, dan weet ik nu tenminste waar het over gaat. Ik ben inderdaad de eigenaar van no. xxx.’
‘Ja en u heeft nog nooit betaald voor onderhoud, personeelskosten en administratie en de schuld is ondertussen opgelopen tot boven de 500 euro. Die gaan we nu innen via het gerecht met een boete die…’
‘Hé, hé, hé, wacht eens even. Ik betaal daar toch elke maand voor?’
‘Nee hoor, u heeft nog nooit betaald.’
‘Hoe kan dat nou? Ik heb u toch toen ik de parkeerplaats kocht alle gegevens voor automatische betaling gemaild?’
‘Nee hoor, wij hebben nooit een email van u ontvangen.’
‘Nou, volgens mij wel. Maar goed, daar gaat het nu niet om. Ik heb dus blijkbaar nooit betaald. Alleen wist ik dat niet. Automatische betalingen gaan van een rekening waar ik verder zelden naar kijk. Maar ik zal het nakijken en als het zo is, betaal ik natuurlijk.’
¿Qué?… U betaalt de 500 euro???’
‘Ja natuurlijk, dat zeg ik toch.’
‘En wanneer dan?’
‘Zo snel ik het heb nagekeken. Zal ik u mijn mailadres geven zodat u mij de gegevens kunt sturen?’
Si, si, por favor.’
‘Ik zal het spellen, dat voorkomt fouten.’
Ik spel mijn email-adres letter voor letter volgens het Spaanse alfabet. Ik heb daar ondertussen zoveel ervaring mee dat ik het zelfs slapend kan.
‘Heeft u het?’
‘Ja hoor, ik stuur u nú de gegevens.’
‘Oké. Dan kijk ik er meteen naar.’
Ik beëindig het gesprek.
Voor de zekerheid controleer ik mijn rekening en ontdek dat er na de eerste betaling nooit meer een bedrag is afgeschreven.

Zes uur later, aan het eind van de middag: nog steeds geen mail van mijn grote vriend Carlos G.
Ik sms hem voor de zekerheid mijn mailadres nog een keer.
Vijf minuten zie ik dat hij de eerste keer een “n” vergeten is. Maar nu heb ik alle gegevens binnen.
Denk ik.
Het nummer van mijn parkeerplaats met alle details staat erop. Mijn totale schuld idem. En natuurlijk dat er direct/meteen/per omgaande betaald dient te worden want anders zullen zwaarwegende juridische stappen mijn deel zijn…
Alleen… er staat nergens hoe ik kan betalen.
De geërgerde zucht die mijn strottenhoofd verlaat klinkt als een kopie van die van grote vriend Carlos G., dus besluit ik eerst drie blokjes om te gaan alvorens hem een mail te sturen.
Dat ik een IBAN nummer nodig heb. Om het bedrag over te maken.
Mijn intussen opgediepte mailwisseling van meer dan twee jaar geleden voeg ik erbij. Dan kan hij zien dat de fout toch echt niet bij mij ligt.
Per omgaande krijg ik een rekeningnummer toegestuurd.
Ik log meteen in bij mijn bank. Want ik wil er vanaf, stante pede en vandaag nog.
Ik tik het nummer in, vul de rest van de gegevens in en druk op enter.
‘Ongeldig IBAN-nummer’ verschijnt er op mijn scherm en de overboeking verdwijnt.
Shit, nu moet ik alles opnieuw invullen.
Weer vul ik het nummer cijfer voor cijfer in en controleer het voor de zekerheid twee keer. Dit keer moet het goed gaan.
‘Ongeldig IBAN-Nummer.’
Knippen en plakken dan maar.
‘Ongeldig IBAN-Nummer.’
Carlos G. heeft me dus een verkeerd nummer gestuurd.
Ik pak mijn mobiel.
‘Carlos, het nummer dat je me hebt gestuurd klopt niet.’
‘Dat kan niet. Noem het eens op.’
‘ES00817448…’
‘¡Alto! Die 8 moet een 9 zijn. Foutje van mijn secretaresse, ze is hier nog maar net. Adios!’
‘Wacht… wacht… misschien beter de rest ook…’
Maar hij heeft al opgehangen.
Je raadt het al. Ook dit keer geen geldig IBAN-nummer.
Dus bel ik weer.
Was Carlos hiervoor kort aan de kar, nu klinkt hij geïrriteerd.
‘Wat nú weer, José Antonio?’
‘Het nummer klopt nog steeds niet Carlos.’
‘Dat kan niet. Ik ken mijn eigen banknummer toch zeker wel.’
‘O, ik dacht dat jouw secretaresse…’
Bruusk breekt hij me af.
‘Noem me het nummer nog maar een keer!’
Dit keer moet een 3 aan het eind een 4 zijn en ben ik net op tijd om hem te zeggen dat hij aan de telefoon moet blijven tot de overboeking gelukt is.
En dat laatste gebeurt. Eindelijk.
Wanneer ik ’s avonds in bed kruip ben ik blij dat deze dingen niet dagelijks gebeuren.De volgende morgen open ik mijn post en schrik me het apelazerus: een aanmaning voor een bekeuring! En omdat de postbode de brief twee keer vergeefs heeft aangeboden en diverse uiterste betaaldata zijn verstreken, blijkt het bedrag te zijn opgelopen tot… 300 euro.
Ik vervloek mijn te zware voet, mijn onvermogen om het bureaucratische Spaans te ontcijferen en een mankerend geheugen om het waar, waarom en wanneer boven water te krijgen.
Er volgt een dag in het gezelschap van een vertaalmachine, mijn collectie woordenboeken en een dikke wolk chagrijn.
Tot er in de avonduren als ik weer een naar de 99 km die er staat kijk ineens een lichtje bij me opgaat.
Snel schiet ik in de kleren, overbrug de afstand piso – parkeergarage in sneltreinvaart en daar, in het dashboardkastje, vind ik het betaalbewijs van een half jaar terug!
Opgelucht kruip ik even later in bed.
Nu maar hopen dat er morgen geen papieren tijger op mijn pad komt.computable-papieren-tijger

Geplaatst in Blog | 6 Reacties

De Spanjaard bestaat niet

Was het niet Maxima die zei ‘de Nederlander bestaat niet’?
In dat geval kan ik zeggen dat de Indo ook niet bestaat.
Of ben ik gewoon een uitzondering op de regel?
Die ene die bij de eerste zonnestraal verkast naar de schaduw en er als de kippen bij is haar valiesje te pakken wanneer de thermometer in Spanje drie dagen op rij plus 35 aangeeft.
‘Wat doe je hier in deze rotzomer als je in Málaga in de zon kunt zitten?’
De vertwijfeling kan ik van het gezicht van mijn vrienden aflezen wanneer ze me zeiknat van de regen in Nederland tegenkomen.
‘Waarom lig je niet lekker te bakken op het strand? Zon, zee, sangria!’
Omdat mijn hersens verdampen bij hoge temperaturen, daarom. En omdat er dan niets meer uit mijn handen komt.
Ik ben gewoon die Indo die niet tegen hitte kan.
Die bestaat, echt waar.

Wanneer men zich in Nederland realiseert dat de zomer echt voorbij is zakt het gemoed evenredig aan de thermometer.
De temperatuur in Andalusië daalt dan eveneens, maar blijkt daar juist een goed excuus om nog even een zak feestjes open te trekken.

termica-01342
Het is dan ook niet verwonderlijk dat dit het perfecte moment is om afscheid te nemen van familie en Nederlandse vrienden en me weer met mijn gade te herenigen.
Alleen… dit jaar ondervind ik landingsproblemen.
En ik kom er maar niet achter waar het aan ligt.
In elk geval niet aan de noodstop waarmee de piloot het vliegtuig aan de grond zet, noch aan de paar nazomerse problemen die ons huis tijdelijk in een kampeerproject veranderen.
Ook ligt het niet aan de ontmoeting met een duizendpoot die onverhoeds uit mijn yogamatje komt vallen (de ontspanningsoefeningen nemen nu iets meer tijd in beslag).duizendpoot-tOké, het ijzerwerk van ons woonblok heeft een lik verf gekregen, er wonen wat meer studenten, en het slot van de achterpoort is er nu helemaal uitgeslagen zodat bewoners niet steeds moeten zoeken naar sleutels.
Maar verder?
La Fantasma spookt als altijd door het trappenhuis, de Chinese toko op de hoek is nog steeds het meest populaire trefpunt voor de alcoholisten en gezelschapsdieren van de buurt en op wat verschenen en verdwenen zaakjes na lijkt de binnenstad van Málaga ook weinig veranderd.
Tot ik op een zaterdag het centrum in duik.

Een oudere man loopt me haast van de schoenzolen vlak voor ik mijn favoriete kruidenwinkeltje in wil stappen. Hij draagt de Spaanse kleuren rond zijn middel en uit de nekopening van zijn overhemd steekt een vlaggetje.
Niks aan de hand, in Málaga en omstreken lopen de mensen er wel vaker origineel bij.
Wanneer ik echter de winkel weer uitkom word ik teruggedrongen door een hele meute vaandels, spandoeken, toeters en bellen.
Wat is hier aan de hand? El día de la Hispanidad is pas over anderhalve week.
De ingewanden van de stad inkruipend kom ik meer en meer Spaanse vlaggen tegen: mensen, kinderwagens, maar ook huizen, winkels en cafés zijn er mee behangen.

@Getty Images

@Getty Images

Komt dat doordat morgen het referendum in Catalunya is?
Hoewel, speelt dat in Andalusië? Bijna duizend kilometer verwijderd van Madrid en Barcelona?
Dit is toch het Málaga waar de Andalusiër alles a su aire benadert, Madrid een ver-van-mijn-bed show vindt en een Catalaan best pruimt zolang die maar twintig tonen lager zingt?
Of vergis ik me?
Ineens weet ik wat er anders is dit keer.
Er is geharrewar in Spanje.
 
“Todos somos Barcelona, todos somos Barceloneses”, een leus vergelijkbaar met Kennedy’s “Ich bin ein Berliner” of meer recentelijk “Je suis Charlie”.
Het is minder dan twee maanden geleden dat de wereld werd opgeschrikt door de vreselijke aanslagen in en rond Barcelona en alle Spanjaarden – en niet alleen Catalanen, ook Galiciërs gelijk Rajoy en de op dat moment druk feestvierende Malagueños – volmondig verklaarden Barcelonees te zijn.
Nu, een dag na het gewelddadig verlopen referendum, lijkt er van die solidariteit niets meer over.
Spanje is verdeeld tot op het bot.
Volgens de Spaanse en Catalaanse media tenminste en de meningen en braakballen die op Facebook opduiken.12718386_645798258912440_2260520899965368350_n

Ook uit Nederland
De Spanjaard wordt omschreven als conservatief, discriminerend, macho, zwaar gelovig en onverdraagzaam. Zelfs Franco wordt uit de mottenballen gehaald.
Maar dat strookt niet met mijn beeld.
Heb ik iets gemist?
Het brengt me in elk geval in verwarring.
Wie is de Spanjaard nu eigenlijk?

De hal van de entree is behangen met manshoge posters vol Bijbelspreuken.
Op zoek naar betaalbare luidsprekers ben ik beland in een rastro van een kerkgenootschap.
Massieve antieke tafels en kasten zoals die bij de oudere generatie Spanjaarden zo populair waren, wandkleden met jachttaferelen (de jacht, nog steeds populair), beeldjes van herderinnetjes met adonissen, een flinke collectie witgoed, vergeefs spit ik alles door.
Tot ik in het kraaiennest van de rastro-techneut beland en hem betrap op het sleutelen aan – voor het door mij beoogde basgeweld helaas iets te lichte – speakers.
Tot mijn verbazing blijkt hij een medebassist.
Een zeer gelovige bovendien en zo te horen behoorlijk populair.
Want ik ken niet veel muzikanten die het hele jaar door vier keer per week voor vijfhonderd mensen optreden. Dat het optreden in een kerk is doet voor mij niets af aan het succes dat hij heeft met zijn tot hardrock bewerkte kerkelijke liederen.
Toevallig wordt er net een monitorspeaker afgeleverd.
Vijf minuten later heb ik ‘s mans kostbare vioolbas in de handen gedrukt gekregen en sta ik te jammen met de rest van de christelijke vrijwilligers.
Heeft iemand geprobeerd me te bekeren?
Nee hoor, we maken gewoon samen muziek.

Er is feest in het cultureel centrum.
Het is het openingsweekend van een pop-art-achtige expositie die al bij voorbaat het nodige stof heeft doen opwaaien.
De inkom is enorm en het camp- en gay-gehalte bijzonder hoog: waarschijnlijk maakt de volledige LHBT… etcetera-gemeenschap van de Costa zijn/haar/het opwachting.

termica-0562termica-0554
De sfeer is uitbundig, de kledingcode is over-the-top en de moorddadige stiletto’s voegen daar nog enige decimeters aan toe.
Toch staat er naast een gerenommeerde cultuurpaus ook een familie doorsnee met vier kinderen te genieten van het schouwspel, deelt een relaxte biker een joint met een boomlange travestiet en heeft een hoogzwangere juffrouw niet in de gaten dat de beeldschone dj die ze aan de haak probeert te slaan griezelt van haar rondingen.

termica-0512
Iedereen drinkt, lacht, danst en babbelt gezellig met elkaar en zelfs de in jaguarpak opgesloten dame die met halsketting door de gang geleid wordt zorgt nooit voor opgetrokken wenkbrauwen.termica-0548
Opeens klinkt er een ijselijke kreet en zie ik hoe een schitterende drag queen door haar enkel zwikt en tegen een bejaard echtpaar knalt.
De oude man bedenkt zich slechts een ogenblik: hij pakt haar bij haar middel en ondersteunt haar naar de dichtstbijzijnde kruk, zijn echtgenote naar de verpleegsterspost dirigerend.
Nog lang nadat de dames in het wit hebben besloten dat er niets ernstigs loos is, blijft hij glaasjes water aanvoeren en klopjes geven op de hand van het nog immer jammerende slachtoffer.
Het klinkt als een theaterstuk, het ziet er uit als een theaterstuk, maar het is gewoon een gebeurtenis in Spanje.
Spanjaarden discriminerend? Spanjeaarden macho?
Ik zie alleen maar mensen die samen een goede avond hebben.

Muziek maken smaakt altijd naar meer. Met wie, wat en waar maakt me nog niet zoveel uit.
Toch is het ‘waar’ dit keer aan de orde: na het plattegrondje veelvuldig te hebben bestudeerd en dezelfde weg drie keer te zijn gereden, lijkt het erop dat ik de gebaande wegen moet verlaten om een arroyo in te duiken.
Ik gooi mijn twijfels over de stevigheid van de vering overboord, hobbel door en stop bij een cortijito.
Vlak voor ik uitstap arriveren een paar in leer en ijzerwaar gehulde motorrijders.
Met zelfverzekerde tred gaan ze me voor.
Wanneer ik een hoek omsla tref ik een bont gezelschap muziekliefhebbers: diehards met de obligate shirts van bluesfestivals, ouwe rockers met een lust voor bier, een stevige dame die later een stem gelijk Janis Joplin blijkt te hebben, een paar fris gewassen conservatoriumtypes en een jonge hond die zenuwachtig zijn trompet oppoetst.
Over zenuwen gesproken, ik merk dat ik daar zelf ook last van heb: zelfs de rondscharrelende kippen ken ik niet. Daarnaast lijkt het zo-even nog gezellig paella verorberende gezelschap te overwegen of ik misschien een stille ben.
Twee nummers en evenzoveel biertjes verder waag ik het een gesprek aan te knopen met mevrouw Janis. Even later heb ik een uitnodiging voor een volgende keer, een aanbieding voor het gebruik van een versterker en een bordje paella gekregen.

termica-10082010257
Dan stapt er een verweerde veertiger met zijn gitaar op het podium en begint met gruizige stem te zingen.
‘El Catalán…’ fluistert mijn buurvrouw.
Hoor ik daar bewondering?
Wanneer de man een Spaanse (of misschien wel Catalaanse) kraker inzet begint iedereen mee te zingen en te klappen.
Ook bij het volgende lied zijn alle aanwezigen van de partij. Geen enkele spanning merk ik op, alleen saamhorigheid.
Als dank krijgt de zanger na afloop twee potten bier in handen gedrukt.
Spanjaarden versus Catalanen?
Hier zijn slechts mensen die samen muziek maken en een biertje drinken.

‘Ach, de regeringen in Madrid én Barcelona: aan beide kanten zijn het gilipollas, met teveel testosteron,’ buurman António vat het politieke geharrewar zo op zijn eigen manier samen. ‘…en als we niet oppassen is uiteindelijk altijd weer de gewone man de pineut. Zoals zondag in Barcelona. Wij, jij en ik, moeten gewoon ons gezond verstand blijven gebruiken.’
Daar zit wat in. Niet de politici met hun ondoorgrondelijke agenda’s bepalen het karakter van een volk, maar de mens in al zijn verscheidenheid.
De Nederlander bestaat niet.
De Spanjaard ook niet.
Mensen zijn als Fries stamboekvee: allemaal hebben ze vlekjes, maar niet allemaal dezelfde.
Uniek, zolang we ons maar niet als een kudde gedragen.

@ ap

@ ap

Geplaatst in Blog | 6 Reacties

Over poep, engelenpis en inspiratie

Op sommige dagen voelt mijn schrijverij gelijk waden door dikke stront en vandaag is zo’n dag. Ik maak omtrekkende bewegingen via de moestuin, piel ongeïnspireerd op de piano en mijn werkkamer is inmiddels kraakhelder en opgeruimd. Toch blijft het document op de computer angstwekkend wit.
Een leeg tekstvel en een leeg hoofd, welke trucjes ik ook uithaal, er is nul komma nul inspiratie. Geen goddelijk ingrijpen, de geest blijft in de fles en zelfs de aanblik van een nijver zwaluwnest geeft me niet het duwtje eens lekker op het toetsenbord los te gaan.
Het kost Jordi dan ook geen enkele moeite om me over te halen mee te gaan op excursie.
De afgelopen dagen heb ik ontdekt dat Jordi een ware wijze uit het Oosten is, een wijnwijze uit Alicante wel te verstaan. Dus als hij vindt dat een bezoek aan een bodega in Ronda de moeite waard is, dan heeft ondergetekende wijnverslaafde er geen enkele moeite mee de knipperende cursor van zijn computer nog een dag langer aan zijn lot over te laten en sta ik tien minuten later startklaar bij de auto.
Onderweg vertelt Jordi me dat de bodega die we gaan bezoeken niet van een Spanjaard is maar van een heuse Tiroler wijnboer, uit een geslacht dat al sinds 1700 het betere druivennat weet te produceren. 35 jaar geleden is de man vanuit de Alpen naar het Spaanse zuiden afgezakt met als missie de Rondawijnen weer op de kaart te zetten.
Aangekomen op Finca Sanjuiela ishet duidelijk dat hier inderdaad geen Spanjaard woont. Ondanks de rode tejas en de groene nokpannen ziet het huis er Duits uit met zijn grote, apart gevormde ramen en strakke vormen. En dan heb ik het nog niet eens over de tuin die met de precisie van een nagelschaartje getrimd is.

02_1

Onze wijnboer Friedrich Schatz echter heeft het internationale uiterlijk van een levensgenieter: vriendelijke ogen, een grijns die van geen wijken weet, een ietwat rode neus – zon of wijn of misschien wel allebei – en een buikje dat getuigt van het goede der aarde.
Na de kennismaking vertelt hij ons in rad Spaans hoe hij zijn bedrijf heeft opgezet. Welke geplante kruiden insectenwerend zijn, hoe hij druivenplanten krent en bladeren weghaalt voor precies de juiste hoeveelheid zonlicht, kortom een cursus biologisch wijnboeren in een notendop met een enthousiasme waar een La Vuelta verslaggever jaloers op zou worden.
Voeg daarbij het genot waarmee hij telkens een druif van een andere druivensoort in zijn mond stopt om ons nog voordat we er zelf een geproefd hebben duidelijk te maken hoe heerlijk en weer compleet anders deze is en het water loopt me in de mond bij de gedachte aan de wijnproeverij straks.
Tot hij naar de doezelende os in de wei naast de wijngaard loopt, zich voorover bukt en een greep doet in… de ossenstront?
Met de poep in zijn hand wenkt hij ons mee te komen naar de bodega.
‘Oké, opgelet nu.’ Met een grote grijns houdt hij de bolus omhoog. ‘Hiervan draai ik eerst een balletje ter grote van een golfbal en laat die drogen.’
Uit een houten kistje tovert hij de hoorn van een koe tevoorschijn.

20110915andalusien785-420x280
‘Is de drol helemaal droog dan prop ik hem in deze hoorn. Zie je die richels hier? Het zijn er zeven. De koe moet namelijk zeven jaar oud zijn.’
Een praatje poep? De hoorn des overvloeds? Ik sta met mijn oren te klapperen.
‘De hoorn stop ik dan een winter lang onder de grond. In de lente graaf hem weer op en vermeng hem met putwater.’
Het klinkt meer naar hekserij dan naar wijn verbouwen. Ik voel mijn scepsis met ieder woord toenemen.
‘Het mengen met water in een ton is een kunst apart. Je moet eerst met een speciale stok de inhoud naar rechts draaien tot je de bodem van de ton ziet en dan plots naar links. Zo creëer je namelijk orde gevolgd door chaos. ¿Entiendes? En dat doe je een uur lang om het water nog eens extra te dynamiseren.’
Hij werp ons een ernstige blik toe. ‘En om niets van die dynamiek te verspillen moet je het daarna binnen een uur verstuiven over de wijngaard.’
Je reinste hocus-pocus. Het liefst ging ik nu weg, ik hou er niet van wanneer er letterlijk bullshit op mijn mouw wordt gespeld.
Maar de tafel met tapas en fonkelende flessen wijn lonkt wel heel erg.
Dus luister ik geduldig naar hoe duizendblad de magnetische krachten van Venus op de druif overbrengt, kamille de invloed van Mercurius regelt en je eikenschors, paardenbloemen, valeriaan en paardenstaarten al dan niet een paar maanden in hertenblazen of ingewanden onder de grond bewaard en toegepast bij volle maan voor een vruchtbare, biodynamische grond zorgt.
Als we eindelijk richting heerlijkheden lopen stoot Jordi me aan.
‘Geweldig verhaal, hè?’

Jordi

Jordi

Meent hij dit nou of neemt hij me in de maling?
Voor ik het hem kan vragen, begint Friedrich uit te leggen welke wijnen we gaan proeven en blijkt hij naast een zweverige heks ook een zeer aards zakenman te zijn. Op het etiket van iedere wijnsoort staat namelijk dik gedrukt een letter van zijn naam. De S van Schatz is voor de Chardonnay, de C voor de Pinot Noir en de H hoort bij zijn Acinipo. Simpel en duidelijk, hier komt geen enkele metafysica bij kijken.
De eerste slok van wijn nummer een is alsof er een engeltje over mijn tong piest, bij de tweede wijn kom ik bijkans los van de grond en de derde brengt me volledig in hoger sferen.
Normaal moet je bij wijnproeven de wijn uitspuwen maar die doodzonde kan ik onmogelijk begaan. En de rest van het gezelschap ook niet, zie ik.
Ineens bekijk ik de lachende Friedrich voor me met andere ogen.
Deze man is geen heks, hij is een tovenaar.
Een halfuur later verlaat ik de bodega met een SCHATZ-kistje onder mijn arm – als je niet kunt kiezen kan je beter van elke fles er eentje nemen – en realiseer me dat er meer is tussen de Spaanse hemel en aarde.
Nog diezelfde avond schrijf ik het hoofdstuk van mijn boek af… geïnspireerd door een heus heksenwijntje.
De wonderen zijn de wereld nog niet uit.

Finca Sanjuiela
Ctra Ronda – La Vieja, km 0,5
Ronda, Málaga
tel: 952871313

Geplaatst in Blog | 9 Reacties

Roze olifant

‘Het junglefeest is op het strand van Benalmádena,’ luidde het bericht vrij vertaald vanuit het Spanglish. ‘Voorbij de roze olifant.’

18921968_10155333658782482_4141547782529449494_nHet is 23 juni, de avond van San Juan.
Zoon Jahua, uit Nederland overgewaaid, zal als dj om acht uur het feest openen en wij zijn mee. Wij, als in José, een trotse moeder en twee vrienden uit Alicante.
Een eitje om te vinden, zei ik nog voor vertrek.
Een onmogelijke opgaaf, denk ik nu we bij achtendertig graden van strandtent naar strandtent sloffen. Wel heel veel strand maar nergens een roze olifant te bekennen.
De zon doet ieder sprankje logisch nadenken verdampen. Het zand is zo heet dat we niets anders kunnen dan doorlopen naar een volgende mogelijke feestlocatie, achter een nieuwe suggestie van een willekeurige San Juan-ganger aan gaan, of op het geluid af van het zoveelste van huis meegesleept geluidssysteem. Want het is de avond der avonden: het grootste feest langs de Spaanse kust.
Google-maps levert een stip tussen twee strandtenten op die slechts ruimte biedt aan een kinderdisco, een coverband van Spaanse smartlappen en een megabarbecue voor gezinnen. Beslist niet de goede stek.
Dan komt Jahua op het lumineuze idee om op Facebook de foto’s van de vorige editie van het feest te bestuderen.
We zien nergens een roze olifant, maar wel een torentje en een rots. En een trap die lijkt op een trap in de verte.
Even later bevestigt een Afrikaanse verkoper dat we op de goede weg zitten: aan het eind van het kronkelpaadje, om de hoek van de klif ligt, echt, heus waar, nog een klein strandje.
En een roze olifant?
De man kijkt me aan alsof ik gek ben.

Zeven uur, een uur voor aanvang.
Het enige wat we op het strandje aantreffen is een groepje hippies met een bierbus, een spierbundel die met gymnastische oefeningen zijn peroxydeblonde, buitenproportionele metgezellin aan het imponeren is en twee knullen die wanhopig een partytent van de grond proberen te krijgen.
De hippies bevestigen dat we op de goede plek zitten maar hebben het bier nog niet koud staan en de tentbouwers geven toe voor het feest aan het worstelen te zijn.
Wanneer de organisatoren komen? Geen idee.
De geluidsinstallatie? Een schouderophalen.
We besluiten maar een hapje te gaan eten in de strandtent anderhalve kilometer terug.

Half negen.
De partytent staat. Een tafel eveneens.
De tentbouwers zijn aan het voetballen en over het strand verspreid staan, zitten, liggen wat partygangers in uiteenlopende uitdossing en van diverse leeftijden.
En honden, merk ik wanneer ik bijna mijn nek breek over een troep rennende beesten.
De organisatie is onderweg, krijgen we te horen.

Tien uur.
De eerste onderdelen van het geluidsysteem worden het strand op gesjouwd.
Vrienden worden begroet, flesjes bier opengetrokken en niemand heeft haast.
Ook wij niet. Het bier is koud, de wietlucht sfeer verhogend, en het strand begint vol te lopen met mooie meisjes en exotische types.
Nu de zon achter de rotsen verscholen zit lijkt er aan de verhitte lamlendigheid een eind te komen.

Elf uur.
Zowel het sfeer- als het podiumlicht is naar tevredenheid opgesteld, maar met woofers, tweeters en monitoren lijkt het niet zo te lukken. Er wordt eindeloos gehannest met opstelling, snoertjes en koptelefoons. Schuif hier, draai daar en weer opnieuw.
De zon is inmiddels helemaal verdwenen en het is behoorlijk druk geworden op het strand. Er worden lampjes opgehangen en vuurtjes aangestoken en iedereen lijkt elkaar te kennen: het gekwebbel is oorverdovend.

sanjuan-1

Half twaalf.
Nog steeds stromen er mensen toe, bepakt met eten, drinken, kleedjes, tenten, honden, brandhout.
Een met lampjes jonglerende feestvierder is al dusdanig in de gloria dat omstanders regelmatig aan de kant moeten springen om zijn onbehouwen capriolen te ontwijken; we slaken een collectieve zucht van verlichting wanneer het spelen met vuurbollen hem geweigerd wordt.
Het ziet ernaar uit dat de dj-booth klaar is en met al het omringend gekwetter snakken mijn oren nu onderhand naar muziek.

Kwart voor twaalf.
Jahua begint te draaien.
Maar de mensen blijven praten. Het volume van stemmen gaat omhoog en iedere arriverende nieuwkomer wordt van de laatste roddels voorzien. Alleen een enkeling lijkt in de gaten te hebben dat er nu muziek is en er gedanst kan worden.

Klokslag twaalf uur.
Zover ik kan kijken ontploft de kustlijn in vuurwerk. En alsof hiermee het startschot voor het feest is gegeven ontploft de menigte op het strand eveneens. Van het ene op het andere moment schieten een paar duizend mensen van babbel- naar dansmodus en deint het strandje op en neer.
De versterkers gaan op tien en ik zie Jahua losgaan. Het feest is aan.
Als na een uur zijn draaitijd om is, is er niemand die op zijn horloge begint te wijzen. Dus gooit hij er nog een uur muziek tegen aan. Dan neemt de volgende dj het over.
‘Tot hoelang gaat het feestje hier door?’ vraag ik aan een van de jongens van de bierbus. Op de flyer stond negen uur ’s ochtends maar met nog dertien dj’s te gaan, waag ik dit te betwijfelen.

‘Vorig jaar liep het eerst uit tot twaalf uur ’s middags,’ lacht hij. ‘Maar daarna nam een ander soundsystem het over. En toen nog een. Uiteindelijk heeft het 72 uur geduurd. Vandaar dat we hier al zo vroeg waren: even de beste plek te pakken krijgen, hé.’
Hun bier stroomt rijkelijk, een kruidige hasjwalm hangt in de lucht en aan twinkelende oogjes om me heen te zien circuleert er nog wel het een en ander. Toch is de sfeer buitengewoon relaxt en vrolijk.
Ook dit is San Juan, het feestje van het jaar.

Het wordt al licht als we een trap opklauteren richting boulevard en auto.
Plots sta ik oog in oog met een kudde olifanten. Van steen gelukkig, en onmiskenbaar grijs. Dan valt het muntje.
De roze olifant betrof geen letterlijke maar een sferische omschrijving!
Want de feestplek ontdek je pas na het bereiken van een zekere partycorrecte geestesgesteldheid.
Gerustgesteld en voldaan stap ik in de auto.
In ieder geval weet ik nu waar volgend jaar het feestje is. Tenzij we dan op zoek moeten naar zeven dwergen.
Roze, dat dan weer wel. De wereld ziet er zoveel beter uit door een roze bril.

Geplaatst in Blog | 10 Reacties

Een Spaanse rijschool

(Dit blog is als column eerder gepubliceerd in Kosta magazine)

Een in slaap vallende buschauffeur op de snelweg, alcoholfuiken, snelheidscontroles, competitieve Portugezen met loden schoenen, rukwinden, overvolle steden, middeleeuwse pijpenlasteegjes, Castiliaanse coureurs die een paso doble ten beste geven in het spitsuur, verblindende tegenliggers, een op hol geslagen TomTom die een konijnenspoor voor verharde weg aanziet (met dank aan de Galicische boer voor de bevrijding uit een ietwat benarde positie), schier oneindige kuddes overstekende geiten… na drie weken toeren over het Iberisch schiereiland, een kleine vijfentwintighonderd kilometer op de teller en een half uur hoosbuien op Portugese bergweggetjes besluit José dat er werkelijk niets meer is waarom ik niet in het Spaanse zou kunnen rijden.
Toch heb ik zo mijn twijfels.
Mijn rijstijl is namelijk niet van het trefzekere soort.
En over die van de Andalusiërs heb ik – na heel wat jaren vastklemmen aan de bijrijdersstoel – ook zo mijn bedenkingen.

De onverharde weg vanaf de campo naar beneden levert – met het nodige beleid, veel geduld en goede schokbrekers – weinig problemen meer voor me op. Tenslotte ligt de afgrond aan de rechterkant dus zie ik hem niet, en weet ik de geulen waar een gemiddeld formaat muilezel in past ondertussen te vinden. Daarnaast kom je er zelden snelheidsduivels tegen.
Nadat ik me aangeleerd heb goed in de bochten te rijden en rekening te houden met overdwars om de hoek stuivende tegenliggers, begin ik zelfs lol in de slinger-de-slang beweging van de tweebaansweg te krijgen. Net motorrijden, maar dan anders.
Tot ik een rotonde tegenkom.
‘Stop! Zie je die auto dan niet?’
‘Ja maar, ja maar… ’ Mijn hard bevochten zelfvertrouwen verdwijnt door de bodemplaat. ‘Hij heeft zijn richtingaanwijzer toch aanstaan?’
Er volgt een lezing waarom je in Spanje bij een rotonde altijd moet wachten tot er echt niemand meer aankomt, ook al geeft men aan af te willen slaan.
‘Je weet hier nooit of iemand op het allerlaatste moment van gedachten verandert.’
En inderdaad zie ik al snel dat veel automobilisten richtingaanwijzers beschouwen als feestverlichting. Aan, uit, of toch maar aan, of vergeten uit dan wel aan te zetten, alles knippert zonder functie.
Ik wacht en wacht en vraag me af hoe ik op de drukke rotonde moet komen.como-se-debe-circular-por-una-rotonda
Op mijn derde glorieta en niet langer in gloriastemming zie ik in mijn ooghoek een auto met een sukkelgangetje naderen. De ogen van de hoogbejaarde bestuurder schieten van links naar rechts. Ik verwacht dat hij afremt maar in plaats daarvan knijpt hij zijn ogen stijf dicht, geeft vol gas en schiet de rotonde op. José knalt bijna door de voorruit wanneer ik op de rem stamp en de auto links van me kan nog net een botsing vermijden.
Nietsvermoedend maakt de oude chauffeur zijn rondje. Het getoeter is niet aan zijn dovemansoren besteed.

rotondasDat is dus ook een manier.
‘Je moet gewoon meevloeien met het verkeer,’ is het goedbedoelde advies van een Spaanse vriend.
Meevloeien? Hoe doe je dat? Bestaat er een ritme dat bepaalt wanneer ik in moet voegen, een stroom waarop iedereen zich als vanzelf laat drijven?
Een Seat voor me die zomaar op de rem gaat staan omdat hij nog niet weet of hij rechtsaf dan wel rechtdoor wil, een Audi die op een driebaansweg even makkelijk rechts als links inhaalt, een dronkenlap die zijn auto op de middenberm van de rondweg achterlaat en zigzaggend door het verkeer probeert over te steken, optrekkende en dan weer afremmende chauffeurs, discussiërende en telefonerende stuurlui, boertjes die met veertig over de snelweg kachelen, hoe ik ook mijn best doe, ik ben bang dat ik altijd een hork zal blijven in het Andalusische verkeer. Ik kom gewoon ogen tekort, mijn voet lijkt verkleefd aan de rem.
Die relaxte ‘flow’ moet voor anderen weggelegd zijn. Want terwijl links en rechts ontspannen gezichten langs me racen en met elkaar lachen en babbelen, voel ik de kramp in mijn kaken.
Tot… ik op een dag een steeg inrijd en samen met drie auto’s voor me vast kom te staan. Met alle tijd van de wereld wordt het vuil opgehaald en een van de vuilnismannen maakt een praatje met de bestuurder van de auto meteen achter de blokkerende vuilniswagen.
Vijf minuten worden er tien en niemand lijkt haast te hebben.
‘Dit geloof je toch niet! In Nederland… ’
In Nederland zou iedereen geïrriteerd raken, opgefokt. Loeiende claxons en scheldpartijen, mobieltjes die tevoorschijn gerukt worden omdat een afspraak tien minuten later wordt… enzovoort, enzovoort.
Hier zie ik geen boze gezichten, integendeel. De moeder van de auto voor me maakt van de pauze gebruik om haar dochters de benen te laten strekken, de jongens daar weer voor vermaken zich met het bewonderen van passerend vrouwelijk schoon en ondertussen klaren de vuilnismannen efficiënt maar zonder stress hun karwei.
Als bij toverslag valt alle spanning van me af. In een Andalusië waar je zo op andere verkeersdeelnemers moet letten zal men er ook geen probleem mee hebben als je zelf een foutje maakt, redeneer ik opgelucht.
Fluitend rijd ik naar huis.
En de rotondes?
Gewoon meevloeien.cr_975554_5868edb514a3436b8f5470a534f0da7f_somos_el_epitome_de_lo_cutre

Geplaatst in Blog | 6 Reacties

VADERS

‘Pa, wat doe je?’
Zoon Jesse schiet richting voorruit wanneer ik vol op de rem ga staan. Hij logeert al een paar weken bij me op de berg om rustig aan zijn eerste kinderboek over Tobi de waterbeer te kunnen werken.
‘Zag je die man daarnet dan niet?’ vraag ik, ‘aan de linkerkant van de weg?’
‘Welke man?’
‘Kijk maar achter je. Die daar met zijn stok komt aangestiefeld. Hij wil een lift.’
Snel draai ik mijn raampje open en gebaar naar het mannetje dat hij het kalm aan kan doen. Stel je voor dat hij halverwege het loodje legt; ik ben te laat gestopt en hij moet nog zeker honderd meter overbruggen.
Dat krijg je wanneer je in een vader-zoongesprek verwikkeld zit en geen haar op je hoofd eraan denkt bejaarde lifters langs de kant van de weg te laten staan.

Sinds ik in de Axarquia woon heb ik iets met de krasse oude mannen die gebaren dat ze een lift willen hebben. Net als de kuddes schapen en geiten passen ze hier in het plaatje, lijken onderdeel uit te maken van de natuur.
En daarnaast zitten ze vol verhalen.
Al zit er soms een luchtje aan.
Zoals bij mijn allereerste lifter. Toen deze met een opgeluchte grijns naast me plaatsnam was het net alsof ik me plots  om half vier’s nachts in het urinoir van een overvol café bevond.
Tot overmaat van ramp wilde hij helemaal naar zijn zoon in Vélez-Málaga. Dat hij daarheen moest was overigens samen met dat hij net als ik José Antonio heette ook meteen zo’n beetje alles wat ik verstond onderweg.
In recordsnelheid leverde ik hem af in Vélez, scheurde met alle raampjes open door naar het winkelcentrum en bemachtigde de grootste spuitbus cockpitspray die ik kon vinden.
Toch heeft dat eerste, geurige avontuur me er gelukkig niet van weerhouden om de afgelopen vijftien jaar tientallen mannetjes mee te nemen. Want naast dat het goed was voor mijn Andalu –het lokale dialect gekenmerkt door het afkorten en aan elkaar breien van woorden – knapte mijn huerta (moestuin) er ook enorm van op. Zestig, zeventig, wat zeg ik, soms tachtig jaar ervaring met weerbarstige barro (kleigrond), die in de zomer hard als steen is en in de winter binnen vijf minuten je laarzen zo zwaar maakt dat je amper meer vooruit komt, is natuurlijk goud waard voor een guiri die ook zijn eigen groente wil proberen te kweken.
Zo leerde ik wie in de omgeving de beste estiércol (mest) had en hoe ik die moest laten besterven, hoeveel water ik mijn aguacates moest geven en welke tomatensoort het lekkerst was.huerta-01017
Langzaam maar zeker veranderde mijn armetierige huerta in een echte volwaardige groentetuin.
Al is buurman Rafalín het daar absoluut niet mee eens.
‘Als je niet spuit wordt het nooit iets, José Antonio. Luister nou toch eens een keer naar me.’
De enige goede huerta is namelijk een platgespoten huerta, volgens mijn buurman. Keurig in rijen, kraak noch smaak en niet een plek waaruit ik iets aan mijn kinderen wil voorschotelen. Maar maak dit Rafalín maar eens duidelijk: hij heeft niet eens kinderen.
Dus slaak ik maar een diepe zucht en haal mijn schouders op.

Het mannetje met de stok is inmiddels vlakbij en Jesse stapt uit om het achterportier voor hem open te houden.
‘Gracias, José Antonio,’ hijgt de stem achter me als ik weer de weg opdraai.
José Antonio? Ken ik hem?
Ik kijk in mijn achteruitkijkspiegel. Nee, geen bekend gezicht. En iemand van die leeftijd met zo’n enorme baard vergeet je niet snel.
Mijn lifter blijkt naar Puente te willen, niet heel ver en op mijn route.
Terwijl we zitten te kletsen over het weer en het tekort aan regen waardoor het stuwmeer historisch laag staat en water straks, als het volop zomer is, een groot probleem wordt, pijnig ik mijn hersenen wie de man kan zijn.
Maar ik kom er niet uit.
Pas als hij bij het uitstappen ineens vraagt hoe het met mijn platanos staat valt de peseta. Het blijkt Domingo uit Pollo Pelao (de kale kip), een gehucht niet al te ver van Periana te zijn! Een jaar of vijf geleden heb ik hem ook in mijn auto gehad maar toen was hij nog baardloos. We kregen het toen over bananenplanten omdat ik de bladeren daarvan graag wilde gebruiken om eten in klaar te maken.
‘De bananenplanten die ze hier in de tuincentra verkopen kan je wel vergeten’, zei hij. ‘Maar ik weet nog wel ergens een soort staan die het wel overleeft. Ken je toevallig La Palma, de viveros (tuincentrum) bij de rotonde in Vélez?’
‘Ja, daar haal ik altijd mijn verse koriander. Hoezo?’
‘Nou, mijn zoon werkt daar. Je kent hem vast wel, een grote vriendelijke vent die altijd lacht. Ik geeft het wel aan hem als ik een stekje heb.’
Twee weken later werd ik bij La Palma ineens aangeschoten door een man.
‘Ik heb wat voor je,’ zei hij en hij troonde me mee naar buiten naar een bestelwagen.
Daaruit kwamen vijf bananenplanten tevoorschijn, ieder bijna een meter groot.
‘Van mijn vader, veel plezier ermee.’

dsc01482Vragend kijkt Domingo me nu aan.
‘Nou, leven ze nog?’
Ik grijns. ‘Reken maar. De grootste is al bijna vier meter. Nog bedankt overigens. En sorry, ik had je niet herkend met die baard.’
‘Ach, ik dacht, laat ik eens met mijn tijd meegaan. Maar mijn zoon vindt het maar niks. En tja, wat moet een vader dan doen? Daarom moet ik nu naar Puente: hij gaat er af!’

‘Jij had vroeger toch zo’n grote snor, pa.’
‘Ja, dat klopt. Kan jij je dat nog herinneren dan?’
‘Een beetje. Maar het kan ook zijn dat ik het me van een foto herinner.’
‘En?’
‘Nou, ik ben blij dat je dat ding niet meer hebt. Stond voor geen meter.’

Geplaatst in Blog | 10 Reacties

Fris en fruitig

‘Warme, volle wijn met een eigenzinnig karakter’ vertaal ik het etiket vrijelijk volgens de Spaanse slag.
Een rode wijn gelijk een persoonlijkheid?
Was het de beschrijving van iemand op een datingsite dan dacht ik toch drie keer na eer ik zou reageren. Warm en vol kunnen elkaar dan misschien nog compenseren, maar wat als eigenzinnig een eufemisme voor onmogelijk blijkt?
Een zeer risicovol type om een vrije avond mee door te brengen.
Ik plaats hem terug in het schap.
‘Jong en fruitig’.
Wanneer ik het dubieuze gezelschap bekijk waarin deze fles verkeert vermoed ik dat het ‘joven’ vooral op de onberekenbaarheid ervan slaat en het ‘afrutado’ op een citroenzure afdronk die kaakscharnieren op slot gooit en tandglazuur doet rammelen.
‘Suave y muy elegante’.
Voor mijn geestesoog zie ik een ballerina, terwijl ‘… de gran cuerpo y concentración’ het beeld van een stevige monnik bij me tevoorschijn tovert.
Chocolate amargos y especias’, toch meer iets wat ik in andere producten hoop aan te treffen.
Abocado (dat woord rijm ik zelden met iets positiefs), Balsámico (een goedje dat je over de sla gooit) en Cubierto (komt me geniepig voor): het ABC van vinologen. Het duizelt me en ik heb geen idee wat ik er mee aan moet.
Hele boekwerken worden volgeschreven met omschrijvingen van zelfs het eenvoudigste wijntje, maar nergens vind ik waar ik naarstig naar op zoek ben: kan ik ermee door een deur?
Ik heb namelijk een probleem: ik ben gek op rode wijn, maar mijn lichaam heeft daar soms een andere mening over.
Genieten van een lekker glas bij het eten, op een terrasje bij de ondergaande zon of een fles of wat stukslaan in het gezelschap van vrienden?
¿Que mas quieres?
Alleen steeds vaker komt het voor dat ik het bekoop met koppijn. Variërend van een enkel zeurend spijkertje tot het geweld van een spijkerpistool dat een onuitputtelijk arsenaal aan ijzerwaar in mijn schedel ramt.
En dan is er nog een obstakel: mijn steeds veranderende smaakpapillen.
Gaat een wijn de ene dag nog gelijk engelenpies over mijn tong, de keer daarop proeft hij wrang en zaagselachtig. Of menen mijn kaken dat ik in een citroen gebeten heb. Lekker in combinatie met zout en tequila, maar niet als je een soepel druivennat verwacht.
Geroemde kwaliteit, prijsklasse, land van origine, een slobberwijn of het magnum opus van een chateau, het maakt geen enkel verschil: het ene moment vind ik hem heerlijk, het volgende moment proeft hij knudde.
De rest van mijn leven doorbrengen met een pot thee?
Daar denk ik liever niet aan.
Dus zoek en probeer ik alle soorten en in verschillende mate wijn, wissel ik af en varieer en speur naar ultieme aanwijzingen op de etiketten.
Maar ‘fris en fruitig’ dekt de lading niet wanneer je ‘hoofdpijnvrij’ en ‘zonder apezuur’ hoopt aan te treffen.
Wijn kiezen blijft een Russische roulette.
Een mens wordt er moedeloos van.

Wanneer de nood hoog is, is de oplossing nabij.
Op een dag verschijnt er een reddende engel in de gedaante van de uitbater van Mainake op de Calle Victoria.
Eerst laat hij me de winkel verkennen, een fraai ogend blikje sardines hier, mainake-4een pot gerookte groenten daar en pas wanneer ik dreig te verdwalen in het aanbod onbekende wijnen duikt hij geruisloos naast me op.
Zonder een moment opdringerig te worden maakt hij me wijnwijs.
Hij toont me de flessen als personages uit een roman: dit is een zeebonk met een groot hart uit Cadíz, voor deze uit Málaga kan je het beste even de tijd nemen, hij doet zich namelijk anders voor dan hij in wekelijkheid is, en dit hier is een mooie rijpe vrouw uit Granada waar je de koude winter en de bloedverziekend hete zomer in terug kan vinden…met het bijkomend temperament, vanzelfsprekend.
Zijn neus voor wijnen blijkt ook voor klanten op te gaan.
Langs dezelfde neus weg stelt hij me een paar vragen, keuvelt nog wat verder en vormt zich een beeld van mijn smaak, de gelegenheid en het budget…
Vervolgens buigt hij zich voorover en pakt een van zijn rode companen uit het rek.mainake-2‘Probeer deze maar. Jullie zullen het goed met elkaar kunnen vinden.’
Thuis op mijn balkonnetje bevind ik me inderdaad in fantastisch gezelschap.
En de dag erna? Geen centje pijn.
Als ik een kleine week later weer zijn zaak binnenstap informeert hij nieuwsgierig hoe de wijn bevallen is.
‘Geen zure afdronk of hoofdpijnen? Helemaal gelukkig en tevreden? Mooi, mooi, maar eigenlijk heb ik hier een heerlijke (fris, jong, rondborstig, elegant, vol et cetera.) wijntje dat je ook eens moet proberen.’
Stap voor stap, fles na fles, bouw ik een arsenaal aan favorieten op waarvan bij alle gelegenheden blindelings en zonder paracetamol in de aanslag valt te genieten. En nog blijft er veel te proeven over.
Alles klinkt muy bien perfecto.
Alleen…
Het is altijd gezellig om een glas met een hapje in zijn winkel te nuttigen, en thuis op mijn balkon drinken is ook heerlijk ontspannend, maar…
‘We gaan een proeverij bij Merced beginnen. Hopelijk in juni al.’
Ik verslik me in de wijn: heeft hij mijn hoopvolle gedachten soms geróken?
Dan maakt mijn hart een huppeltje: van heerlijke wijn genieten op een terras, eindeloos mensjes kunnen kijken én toch de volgende dag fris en fruitig voor de dag komen.
Het leven wordt vurrukkulluk!

Mainake Casual Gastro
Pasaje Campos 10 (dat is het straatje net achter Merced)
Málaga

15 juni gaat hij open (al hoopt hij zelf een weekje eerder)

En kan je niet wachten tot 15 juni:
Mainake
Calle Victoria 45
Je zult er geen spijt van krijgen.mainake-3

Geplaatst in Blog | 12 Reacties

“Hier rust onze geliefde Pablo Picasso, 1881-1973”

Ooit een selfie met Pablo Picasso himself willen hebben?
Niet met de echte Picasso natuurlijk, die ligt tot compost te vergaan in de tuin van zijn kasteel in Vauvenargues, maar met de levensechte op een witte sokkel opgebaarde Picasso van Eugenio Merino?
Zo’n selfie met een niet van echt te onderscheiden, niet stinkende Picasso: het kan tot 28 juli in de Alianza Francesa op de Calle Beatas 36 hier in Malaga.
De lengte klopt, de outfit is die waarin de meesten zich Picasso kunnen herinneren – zwart-wit gestreept t-shirt en een witte broek – en de sculptuur is hyperrealistisch gemaakt van siliconenhars, polyurethaan en polyester. En helemaal door de echte witte haren die zijn gebruikt.
15befb96-e90b-4769-a33c-1acce8b8ffaa
‘Ben jij al geweest?’ bromt Carlos el Pintor (niet te verwarren met Carlos el Jefe, de man van “creatief met bitterballen”).
Verwilderde krullen, een vette baard en de omvang van een tonnetje, mijn overbuurman lijkt op een Bask maar is een Malagueño van het zuiverste water. Zijn kolossale verschijning drukt alle zuurstof uit het bushokje.
‘Euh… ik heb niet zoveel met selfies.’
‘Zelfs niet eentje met de grote meester, onze stedelijke trots?’
Zijn stem buldert, maar zijn ogen glimmen.
Ik haal mijn schouders op. ‘Maar jij, ben jij dan al geweest?’
‘Natuurlijk, wat dacht je dan. Als kunstschilder laat je zo’n kans toch niet lopen?’
Een enorme grijns breekt zijn gezichtsbeharing in tweeën.

Misschien is het goed om even te vertellen dat Carlos inderdaad kunstschilder is. Eentje die zijn werk niet aan de straatstenen kwijtraakt (wat Carlos el Jefe een vaste klant oplevert en ons, de overburen, een sociale functie: het oplappen van een dronken, zich beklagende kunstenaar is geen sinecure). Zijn werk is ook wel apart, moet ik eerlijk zeggen; zijn schilderijen zijn een beetje… bizar. En daarom, en nu druk ik me voorzichtig uit, ‘moeilijk verkoopbaar’. Want wie wil er nu een jongetje in een rolstoel aan de muur hebben hangen, wiens handjes bovendien aan de leuningen zijn vastgespijkerd?
Om toch zijn hoofd met zijn schildertalent boven water te houden maakt Carlos namaak-Picassowerk voor een aantal souvenirwinkels.
Daarnaast leeft hij zich in de nachtelijke uren uit met zijn spuitbussen op lege muren. Welke graffiti in de stad van zijn hand is mag ik niet verklappen – dat schijnt tegen de mores van spuitgasten te zijn – maar als je zijn schilderijen kent is het niet moeilijk om te raden welke muurschilderingen van zijn hand moeten zijn.
Dit even terzijde.

‘Wat vind je van deze protestactie van Eugenio Merino?’ vraag ik.
‘Fantastisch. Alleen jammer dat hij zijn Franco-kunstwerk er niet naast gezet heeft.’
Nu ken ik Merino’s Franco-kunstwerk niet, iets wat in Carlos’ ogen waarschijnlijk een doodzonde is, dus vraag ik alleen maar: ‘Waarom?’
‘Om de boel lekker te provoceren en zodoende nog meer aandacht te krijgen voor de problemen in onze stad. Kijk Franco wordt doodgezwegen want die trekt geen massa’s toeristen aan. Terwijl Málaga en Franco toch vier handen op één buik waren. Picasso is dan wel hier geboren en heeft in de stad zijn eerste tien levensjaren doorgebracht, maar verder? Alleen in 1900 is hij nog een paar maanden terug geweest om met een vriend de cabarets en prostitués af te gaan, maar daarna heeft hij ons altijd gemeden als de pest. De eikel!’ Carlos spuugt een vette fluim voor de voeten van een oud vrouwtje, maar lijkt het niet in de gaten te hebben. ‘Málaga als Picasso-stad presenteren is pure commercie en heeft nada met realiteit te maken. Nee, Franco in die koelcel had er niet naast misstaan. En Málaga Picasso-stad,’ meewarig schudt Carlos zijn hoofd, ‘onzin gewoon, toeristenvoer.’
imgres
‘Maar het Picasso museum hier is wel wereldberoemd. En veel mensen associëren Van Gogh toch ook met Amsterdam omdat daar het Van Gogh-Museum staat? En die heeft er nog geen jaar gewoond.’
‘Dat bedoel ik: toeristenvoer! Ik ben vorig jaar nog een weekendje in Amsterdam geweest. Daar ga ik, afhankelijk van mijn financiële situatie natuurlijk, eens in de paar jaar naartoe om eh… je weet wel… die speciale koffietenten van jullie te bestuderen. Al kan ik die studie in het vervolg beter in Madrid voortzetten…’ Zijn kop met krullen schudt als die van een wilde diersoort heen en weer. ‘Een ramp was Amsterdam, en dan heb ik het niet over de regen die maar niet op wilde houden. Een drukte, je wil het niet weten. Van de echte, relaxte Amsterdamsfeer van vroeger was niks meer over. En hier gaan we dezelfde kant op. Ik doe nou al af en toe geen oog meer dicht door dat rotgeluid van die rolkoffertjes. Jij hebt mazzel, jij woont aan de binnenkant hier en hoort het niet, maar ik zit aan de straatkant.’
Dan schiet hij plotseling in de lach.
‘Jammer dat Fidel Castro en Trump geen link met Málaga hebben. Dan konden we pas echt een protesttentoonstelling bouwen.’
Fidel Castro? Trump? Ik hoor het even in Marbella donderen. En blijkbaar is dat van mijn gezicht af te lezen, want Carlos haalt zijn mobieltje uit zijn zak.
‘Wacht, ik zal ze je laten zien. Vooral die Castro als zombie vind ik fantastisch, ik wou dat ik die verzonnen had. Al is de titel damaged goods bij die Trump natuurlijk ook supercool.’ ’
eugenio_merino_03eugenio-merino-damaged-goods-detail
‘Goed hè,’ zegt hij glunderend als ik hem even later zijn mobieltje teruggeef. ‘Kom, laten we samen een biertje gaan drinken op Merino’s gezondheid. Want dat verdient ie, vind je ook niet?’
Málaga kan dan druk aan het worden zijn, in het stukje stad waar ik woon is de echte malagueño-geest, nog steeds uit de fles.
Tentoonstelling of niet: de bus hebben we niet meer gehaald.

Geplaatst in Blog | 3 Reacties