Het grootste kinderfeest van het jaar

Voor sommige blogs heb je geen woorden nodig.
Dan spreken de foto’s voor zich.
Zoals bij de Cabalgata op 5 januari, de intocht van de Drie Koningen in Málaga, het grootste kinderfeest van het jaar.
15.000 kilo caramelos werden er door de kinderen op de praalwagens uitgedeeld.
Dit jaar glutenvrij, dat wel.

Geplaatst in Blog | 2 Reacties

Trammelant in El Torcal

In het schemerduister El Torcal binnenrijden is een surrealistische ervaring. De door de goden of de tand des tijds neergesmeten stenen zuilen lijken te ademen in een spel van schaduw en gezichtsbedrog.Net een decor van een science-fiction film, denk ik, en ik wacht op de bak licht van het ruimteschip boven mijn hoofd.
Dan springt er in het licht van de koplampen een vos op en besef ik dat ik nog steeds op aarde ben.
Op steenworp afstand van het toeristengewoel in Málaga om precies te zijn.
Niet ver van het pad parkeert José de auto en pak ik de tas van de achterbank. Het plan is na de wandeling op de uitkijkpost waar je de gieren spectaculair kunt zien uitzwermen een ontbijtje te doen.
Zachtjes stappen we uit en gaan op onze tenen sluipend op weg; in deze onaardse rust lijkt ieder menselijk geluid een soort heiligschennis.
Het dichtgooien van autoportieren een paar tellen later bezorgt me dan ook bijna een rolberoerte.
Harde stemmen doorbreken de stilte. Een man en vrouw van middelbare leeftijd komen dichterbij, allebei onmiskenbaar met het verkeerde been uit bed gestapt, en allebei volledig in beslag genomen door wat ze met elkaar te bespreken hebben.
We versnellen onze pas om ze voor te blijven.
Op eerdere tochten hebben we ontdekt dat de berggeiten zich tegen de klok in bewegen, dus lopen we in plaats van naar de ingang naar de uitgang van het wandelpad. Op deze manier hebben we de grootste kans de dieren tegen het lijf te lopen en waarschijnlijk schudden we zo ook het luidruchtige stel van ons af.
Tevergeefs, al ruziënd blijven de twee in ons kielzog hangen.
‘Waar hebben ze het eigenlijk over?’ vraag ik. Andalu en rappe tongval zijn niet mijn sterkste punten.
‘De arme kerel heeft blijkbaar te veel aandacht besteedt aan een andere dame. Een jongere, zo te horen. Ze scheldt hem in ieder geval uit voor “ouwe viezerik” en dat het meisje “zijn dochter kon zijn”. De rest kan ik niet zo volgen, maar het zal wel van eenzelfde strekking zijn.’
Een luide vloek en we kijken achterom. De man heeft een uitglijder gemaakt en is op zijn gat terechtgekomen.
Even is er een adempauze en is het stil. Dan ratelt de vrouw onverstoorbaar verder.
José kijkt me aan.
‘Zeg, gaan we deze ruzie de hele tocht meebeleven of zullen we de goede mensen even laten passeren?’
Dat laatste vind ik een uitstekend idee.
Verderop het veld in zie ik een paar verdwaalde rotsblokken.
‘Kijk, een ontbijtplek,’ wijs ik en ik stap van het pad af. ‘Als we daar een tijdje bivakkeren kunnen de dieren ondertussen een beetje bekomen van al dat lawaai. Misschien zien we er dan toch nog een paar.’
Krakende takken, vallende stenen, het heeft nog steeds iets van een woeste olifant die door het gebladerte komt zetten, maar het gekijf daalt tenminste even tot fluisterniveau als de mensen ons op een tiental meters passeren.
Ons vriendelijk bedoelde buenos dias wordt met een vinnig hoofdknikje beantwoord. Daarna verdwijnen ze om de hoek van een heuveltje.
Nog minutenlang valt hun positie te bepalen door opvliegende vogels en het gemopper wat door de rotsen trekt. In gedachten zie ik berggeiten, everzwijnen, konijnen en vossen het hazenpad kiezen bij de komst van het twistzieke duo.
Ik schud mijn hoofd.
‘Wat zoek je in hemelsnaam in El Torcal als je mot met elkaar hebt?’
‘Nou ja, je weet hoe gehorig het in de stad is. Of misschien kregen ze onderweg pas ruzie, slecht geslapen… een overdreven geval van ochtendhumeur…’ José kijkt om zich heen. ‘Het is hier overigens wel een perfecte locatie om van je vrouw af te komen. Een klein ongelukje en het is gepiept.’
Mannen, ze blijven altijd zo verrekte praktisch. Toch bezorgt het idee me de kriebels en neem ik me voor om straks goed buiten de gebaande paden te kijken of die vrouw van daarnet niet ergens ligt te zieltogen.
Ik neem een slok bittere koffie om het beeld van mijn netvlies te jagen.De rust is ondertussen weergekeerd en tot mijn stomme verbazing zie ik een eerste berggeit schoorvoetend opdagen. En nog een, en nog een, tot een hele kudde de rotswand voor ons vult.Ze zijn waarschijnlijk zo geschrokken van het eerdere kabaal dat onze aanwezigheid hen totaal niet lijkt op te vallen. In ieder geval zien de verkenners er geen been in dat de jonge geitjes argeloos en onbezonnen de meest uitgelaten capriolen vertonen. Terwijl hun kroost aan het spelen is knabbelen moedergeiten en ouwe bokken doodgemoedereerd van het struikgewas.
Wanneer de laatste blaadjes zijn verorberd, klimt en klautert de kudde verder en besluiten wij ook weer op pad te gaan.
Zo geruisloos mogelijk prop ik de etensresten en thermosfles terug in de rugzak in de hoop onderweg nog meer wilde dieren tegen te komen. Al is die kans niet zo groot, de eerste zonnestralen vallen inmiddels in het dal.
En inderdaad, naast een paar laagvliegende roofvogels en een groepje geschrokken distelvinken zal ik het vandaag zonder genetkat, das of ander wild moeten doen.
En hopelijk ook zonder ‘verongelukte’ partners: onbewust scannen mijn ogen onderweg de greppels en geulen af en ontleden iedere ongerijmdheid  tot ik hem terug kan voeren tot rotsblok of boomstam. Daarnaast speur ik de hemel af naar cirkelende gieren (een overdaad aan westerns in mijn jonge jaren, ik weet het).
Pas wanneer ik het eind van het pad in de verte zie opdoemen ben ik overtuigd dat beide echtelieden hun ochtendwandeling zonder kleerscheuren zijn doorgekomen.
Wanneer ik de ingang uitstap draai ik me om en schrik.
‘Hij is er nog! Hoe kan dit nou?’
Voor de ingang van het wandelpad leunt de verschrompelde gedaante van een hele oude bok, bewegingloos als het rotsblok onder hem. Zeven jaar geleden stond ie daar ook en dacht ik dat het een standbeeld was, of een opgezette gems; tot er na tien minuten een minuscule rimpeling over de snuit trok.Ik ben verbijsterd! Hoe kan een beest al die jaren op dezelfde plek blijven staan? Zijn er parkwachters die het beest iedere ochtend in alle vroegte op deze rots hijsen?
‘Dit kan toch niet hetzelfde dier zijn? Zeven jaar terug was hij al stokoud. Hoe oud worden berggeiten eigenlijk?’
José schiet in de lach. ‘Tja, je weet nu hoe het zit met oude bokken: zolang je ze af en toe  een jong blaadje voert…’

Geplaatst in Blog | 6 Reacties

Sinterklaas

Ik had voor de terugweg naar Spanje beter bij Sinterklaas op zijn stoomboot kunnen aanmonsteren, bedenk ik me wanneer ik de zoveelste vruchteloze poging onderneem om mijn lange benen ergens tussen mijn stoel en die van mijn voorbuurman te proppen. Waarschijnlijk politiek incorrect met al dat gedonder rond Piet, maar beslist aangenamer dan bijna drie uur opgevouwen in een vliegtuig doorbrengen.
Ik ga diagonaal zitten met mijn benen richting gangpad. Dat is een stuk beter maar bij iedere voorbij schuifelende medepassagier ben ik wel gedwongen mijn knieën zo’n beetje tegen de borst te vouwen.
‘Mag ik er even langs? Ik zit op stoel A, bij het raam.’
Een kolossale man wurmt zich met moeite tussen de stoelen door en weet zich met zijn zitvlak nog net op anderhalve stoel te nestelen.
Ben ik even blij dat er nog een stoel tussen ons in zit.
De vrouw die achter hem bijna in slaap is gevallen kijkt verschrikt op als de rugleuning voor haar ineens minstens 10 centimeter dichterbij komt.
Kreunend en steunend probeert de man zijn rugzak op zijn schoot te proppen.
‘U kunt die k daar nog kwijt, hoor,’ wijs ik naar het bagagerek.
‘Nee, nee, die heb ik onderweg nodig, die hou ik vast.’
‘¿Disculpe, puedo pasar?
Door alle commotie heb ik niet in de gaten dat er een slanke, chique geklede dame van onbestemde leeftijd naast me is komen staan.
Natuurlijk mag ze er langs.
Verbaasd kijk ik toe hoe ze moeiteloos op haar gehalveerde plaats glijdt.
Als ik zelf ook weer zit krijg ik een vriendelijk knikje waarna ze een dikke pil uit haar tas haalt, een bril opzet en begint te lezen.
Met een slinks oog probeer ik erachter te komen wát ze aan het lezen is. Zo te zien is het iets geschiedkundig, maar de letters dansen over mijn netvlies. Dus leun ik maar achterover en probeer wat te slapen.
Mijn gedachten fladderen weg en net op het moment dat ik helemaal wegzak klinkt er een gekraak en geknars van jewelste.
Als ik mijn ogen open doe en mijn hoofd richting het geluid draai zie ik hoe de man aan het raam een handvol pepernoten uit de rugzak schept, die in zijn mond propt en ze ritmisch en constant aan gruzelementen maalt.
Als het kraken ophoudt slikt hij alles met een pijnlijk gezicht door. Vervolgens verdwijnt zijn hand weer in zijn rugzak en begint alles weer van voor af aan.
Omdat mijn buurvrouw verbijsterd oogt wil ik het oer-Nederlandse snoepfenomeen aan haar uitleggen maar realiseer me ineens dat ik geen idee heb hoe pepernoten in het Spaans heten. Dus kom ik niet verder dan: ‘Pepernoten, San Nicolás.’
Si, si, peppernoten ¿Hablas español?’
Peppernoten? Zei ze dat nou echt?
Even helemaal confuus kan ik alleen maar knikken op haar vraag.
Que bien,’ lacht ze, ‘ik was bij de intocht van Sint-Nicolaas in Scheveningen. Op bezoek bij mijn nietas in Den Haag. Ik weet nu álles van peppernoten!’
Voor ik het weet zitten we kleindochterfoto’s met elkaar te vergelijken.
‘Toch wel een heel aparte traditie van jullie Nederlanders,’ vervolgt ze nadat we onze mobieltjes weer hebben opgeborgen. ‘Komt er per schip een man aan, gekleed in een rood gewaad met een mijter op zijn hoofd en een staf in zijn hand, en zeggen jullie dat het Sint-Nicolaas uit Spánje is!’
Haar perfect rood gestifte lippen krijgen een vermakelijke grijns. ‘Maar Sint-Nicolaas is nooit in Spanje geweest, die kwam uit Myra, en dat lag in Turkije, ik ben daar geweest. En die kleren… de man leefde in de 4e eeuw na Christus dus die heeft er echt niet bijgelopen als een bisschop van 1000 jaar later.’
De historische dikke pil op haar schoot indachtig geloof ik haar op haar prachtige bruine ogen.
‘En dan die zwarte pieten, waar in Nederland zoveel over te doen is. Zoals ze erbij lopen! Die muts, die kraag, dat hesje en die pofbroek, precies een Spaans tafereel uit de 16e eeuw. U moet het schilderij waarop de hertog van Alva met zijn mannen staat afgebeeld maar eens bekijken, dan weet u precies wat ik bedoel. Trouwens, die mannen van Alva werden vroeger als boeman voor stoute kinderen gebruikt en nu zijn het degene die peppernoten uitdelen. En cadeautjes natuurlijk! Jullie Nederlanders hebben van het Sint-Nicolaasfeest een aardig historisch rommeltje gemaakt.’
Haar lach overstemt met gemak het geluid van onze krakende buurman.
‘Trouwens, ook geografisch is het heel grappig. Op het schip stond met grote letters “MADRID”. Weet u hoe je van Madrid, dat midden in Spanje ligt en geen haven heeft, met een boot naar Scheveningen kan komen? Nou, ik niet. Maar dat heb ik maar niet tegen mijn kleindochters gezegd.’‘Ach,’ antwoord ik, ‘dat maakt voor kinderen helemaal niets uit. Als ze maar cadeautjes krijgen, dat is het belangrijkste.’
Ze knikt. ‘Daar heeft u gelijk in. De meisjes vonden het allemaal prachtig.’
‘U heeft geen zoons?’
‘Nee, ik heb twee dochters. En mijn drie kleindochters natuurlijk. We hebben echt een vrouwenfamilie; tenminste, nu nog wel. Mijn jongste dochter verwacht een zoontje. En u gelooft nooit hoe ze hem gaan noemen.’
¿Por que?
‘Mijn dochter is helemaal gek van de boeken van René Goscinny en dan vooral van het boek over dat stoute jongetje.’
 
‘U bedoelt Le Petit Nicolas?’
‘Ja, dat boek. En zo gaat hij ook heten: Nicolas. Dat wordt nog wat bij de intocht van Sinterklaas volgend jaar!’

Geplaatst in Blog | 9 Reacties

De huppelclub

Ik ben getrouwd met een schrijver op een berg, een het liefst blootlopende schrijver (blootlopen schijnt namelijk inspiratie bevorderend te zijn).
Ook een die soms zijn schrijversisolement (en zijn blootlopen) doorbreekt om gasten mee te laten genieten van de natuur, de rust, de ruimte en zijn kookkunsten.
En een die het niet erg vindt dat zijn gade wekelijks met muziekvrienden de berg doet schudden.
Af en toe passeert er op de berg een herder met zijn geiten, een streekgenoot op aspergejacht of een van de wandelroute gedwaalde toerist en voor die gevallen heeft mijn blootloper het gemak van de sarong ontdekt. Maar verder is er weinig dat dit idyllische plaatje doorbreekt.
Tot op een zonnige herfstdag.

De eerste barst in het plaatje rolt op zondagmiddag ons erf op, onder de ketting door. Het is een man op leeftijd, alle-kanten-op-piekend haar, een sportbroekje tot ver in de bilnaad  en de verdwaasde blik van iemand die het padje kwijt is.
Nog voor ik hem kan vragen wat hij in onze tuin doet duiken twee in Neon Spandex geperste veertigplussers eveneens onder de ketting door, nemen hem al keuvelend mee in hun slipstream en volgen de zwaartekracht dwars door onze olijfboomgaard.
Een paar minuten later stevent een groep bejaarde vriendinnen met Nordic Sticks achter de opvallende kleuren aan en besluit een roedeltje zich van de wandelaars losgemaakte honden onze zwerfkat Fritz op de patio de stuipen op het lijf te jagen.

 

Holler!’ wordt er geroepen. Tenminste, zo klinkt het. Als een kilometerslange kreet wordt het doorgegeven.
Terwijl ik de honden bij de kat wegjaag en een volgende kudde blindelings achter elkaar aan huppelende snelwandelaars, joggers en slenteraars  achter de ketting  probeer te houden realiseer ik me pas wat er gebeurt.
Het gaat hier niet over een paar champignonzoekers, wat wandelaars die te ver off-track zijn geraakt of verdwaalde reizigers: ik tel tientallen, wat? misschien wel honderd mensen die zich in een lint van meer dan een half uur door onze vallei begeven.
‘Help,’ roep ik naar José die binnen snel een broek aan het aantrekken is, ‘een invasie van de huppelclub!’
Toekomstvisioenen van Roparun-achtige toestanden, kleurkanonnen en alles vertrappende, vogels en wild verjagende hordes bewegingsmaniakken duiken op in mijn geest.
Is dit het begin van het einde van onze rust en ruimte?

De campo waar wij wonen bestaat uit een aaneenschakeling van stukken grond waartussen je zelden hekken tegenkomt. De spaarzame afrasteringen zijn er meestal om vee of huisdieren binnen de perken te houden of duiden op een zeldzame enkeling die zijn bezit met paal en perk wil verduidelijken.
De stukken grond worden van oudsher van elkaar gescheiden door een linde, een natuurlijke overgang in het terrein die aangeeft waar jouw land ophoudt en dat van de buurman begint.
Voor de rest zorgen een beetje fatsoen, beleefdheid, respect voor de omgeving, Andalusische verdraagzaamheid en spieken bij de buren ervoor dat we al jaren genieten van de rust en ruimte.
Maar wat te doen als je tuin een favoriet huppeltraject dreigt te worden?
De officiële regels er maar eens op nagelezen.

Wanneer mag je niet over iemands land:
1. als er een huis op staat (en je kunt dit duidelijk zien)
2. als het land gecultiveerd/bewerkt is, bijvoorbeeld een (moes)tuin of een (olijf)boomgaard
3. als er een hek omheen staat.

Wanneer mag je iemands grondstuk níet betreden, dus ook niet via een oprit of toegangsweg:
1. als de weg of oprit is afgesloten met een ketting, hek, poort of anderszins.

Wanneer mag je wel over iemands land:
1. als de officiële weg erdoorheen loopt. Onder officiële weg vallen ook aangegeven wandelroutes, b-wegen, zandwegen en de zogenaamde caminos reales, de wegen die vroeger alleen voor de koning waren bedoeld
2. als het land niet gecultiveerd/bewerkt is maar puur natuur
3. als je toestemming hebt van de eigenaar.

Opgelucht haal ik adem. De kans dat onze olijfboomgaard voor een officiële trail run gebruikt mag gaan worden is dus nul.
Maar hoe houd ik die enorme hoeveelheid renners cq. (snel)wandelaars een volgende keer tegen?

‘… ze bleven maar komen, tilden gewoon de ketting op, kropen eronderdoor en deden alsof ze me niet zagen,’ vertel ik mijn Engels/Spaanse buurvrouw Chloë. ‘Zo’n horde bergafwaartse mensen valt niet te stoppen! Nog een geluk dat José snel een broek aan kon trekken.’
‘Het waren Engelsen, toch?’ vraagt Chloë.
‘Ik denk het wel… ik heb in elk geval heel wat Engels gehoord.’
‘Nou, dan is de oplossing toch simpel: zorg de volgende keer dat José geen broek aantrekt. Zijn ze zo weg!’

Geplaatst in Blog | 17 Reacties

Een grote boodschap

‘Op school zeiden ze al dat Roberto een heel bijzonder kind was dat alles kon worden wat hij wilde. Hij was slim en een uitstekende voetballer bovendien. De vrouw en ik hadden hoge verwachtingen van onze jongen en hebben er alles aan gedaan om hem te laten studeren. En wat waren wij trots toen hij uiteindelijk voor de ayuntamiento ging werken. Tot hij op een dag thuiskwam, zijn moeder bonbons gaf en vertelde dat hij promotie had gemaakt…
En wat voor promotie. “Mi trabajo consiste en escarbar en la mierda,” zegt hij nu tegen iedereen die het horen wil.
Mijn zoon is een poepambtenaar!’

‘Mijn Manuel is vorige week aangeklaagd omdat hij geen badge of registratie kon laten zien voor zijn honden. Maar die jongen heeft het gewoon heel druk met zijn baan. Anders had hij er heus wel werk van gemaakt. Nu hoor ik net dat zij van de bakker een boete van 217 euro heeft gekregen voor haar hond. En Manuel heeft er maar liefst drie!
Die boete kan hij straks nooit betalen van zijn hongerloontje.’

‘Mijn achterkleinkinderen plagen me weleens dat ik zo krom ben geworden omdat ik altijd naar de grond loop te staren. En ik denk dat ze daar best eens gelijk in kunnen hebben. Ook al wordt er ’s avonds schoongemaakt, iedere morgen word ik weer verrast door een nieuw mijnenveld regalos, ligt de stoep weer vol vers gelegde cacas. Ik heb heel wat oude mensen hier in de straat in de poep zien stappen of erop uit zien glijden.
De meeste hondenbezitters zijn echte guarros!’

‘De verordening “Welzijn, Bescherming & Verantwoordelijkheid” voor dieren is gewoon een nieuwe manier om ons, Malagueños, geld uit de zak te kloppen. Ik heb vijf honden en die hebben een fantastisch leven bij mij.
Maar waar haal ik zomaar 175 euro vandaan?’

‘Het beste werk ik met feces van twee, drie dagen oud. Is het ouder dan vier dagen dan wordt het ingewikkeld. We zijn altijd met twee man, een gemeenteambtenaar en ikzelf. Want omdat hondeneigenaars de gekste dingen verzinnen om onder de boete uit te komen is er een getuige nodig bij het maken van de foto’s van de plaats delict, het prikken van het specimen en het verzegeld opsturen naar de landelijke DNA-database.’

‘Bruno is gek op kinderen. En de kinderen zijn allemaal gek op Bruno. Moet je kijken hoe hij springt naast dat meisje op de schommel! Natuurlijk is er af en toe een ongelukje, maar kinderen maken zich toch altijd al vies. Dus wat maakt dat uit?
Ik kan me toch onmogelijk in tweeën delen: met de ene helft op de kinderen letten, terwijl de andere helft met Bruno op het poepveldje zit?’

‘Het echte probleem, het welzijn van de dieren, wordt niet aangepakt. Al die honden op de campo die worden verwaarloosd, mishandeld of worden achtergelaten, hoe gaan ze die ooit in kaart brengen?
Dat kunnen ze helemaal niet.
Maar waar ik écht een probleem mee heb is het afnemen en opslaan van het DNA van duizenden onschuldige huisdieren. Bij mensen mag pas DNA worden afgenomen als iemand een misdrijf heeft gepleegd, maar bij honden…
Het zou aanhangig gemaakt moeten worden bij het Europese Hof voor dierenrechten!’

‘… in het geval van verlating of een ander anoniem misdrijf kunnen we aan de hand van het DNA-profiel eenvoudig het moederdier opsporen. Gaan de boetes voor het herhaaldelijk niet opruimen van hondenpoep tot 1500 euro, bij verwaarlozing of achterlating van honden kan het zomaar oplopen tot 15.000 euries. Dus bij deze verordening is wel degelijk gedacht aan het welzijn van huisdieren.’

‘Natuurlijk ruim ik de cacas van mijn hondje op; zelfs op het strand. Ik weet niet hoe het in het buitenland zit, maar hier is Spanje ben je altijd al verplicht geweest je poep en troep op te ruimen. Dat is toch niet meer dan normaal? Alleen is het tegenwoordig inderdaad wel een vieze boel op straat. Mensen hebben geen fatsoen meer, houden zich niet meer aan de regels. Ik denk dat het komt door de vele toeristen. Die gooien alles maar op straat! Maar daar bedoel ik jou natuurlijk niet mee, guapa.

‘Ik ben in januari al met Bor naar de dierenarts geweest. En wat denk je? Ik zit nog steeds op het plaatje en het hondenpaspoort te wachten! Je zal zien, dit wordt weer zo’n plan wat ergens in de papiermolen vermalen raakt. En ondertussen zijn we allemaal weer een hoop dinero armer.’

Het gemeentelijk poepbeleid houdt de gemoederen in Málaga flink bezig. Maar of de maatregelen echt werken is de vraag. Nog steeds loop ik het risico om net als voornoemde overgrootmoeder een bochel te kweken door mijn scannen van de stoep.
Wel zie ik steeds meer gevulde poepzakjes in het straatbeeld. Maar vaak zijn ze achteloos weggesmeten in hoeken en portieken. Weten mensen misschien niet hoe het werkt? Of zijn er te weinig vuilnisbakken?Toen ik daarnet een veilig opgeborgen waarschuwingsbord (er verdwijnen er namelijk regelmatig) probeerde te fotograferen stapte ik achterwaarts in het gedeeltelijk antwoord op mijn vragen.
De bolus waar ik met mijn teenslipper in wegzonk moet van een hond formaatje pony zijn. Minstens.
Die grote boodschap is me in ieder geval duidelijk: draconische boetes, poepambtenaren en rechtszaken ten spijt, er zijn nog steeds mensen die er kak aan hebben.

Renata Oosterveen

Geplaatst in Blog | 10 Reacties

Een simpel hapje

‘Het is hier beslist geen Barcelona of Madrid… zeg, help eens een handje.’
De voluptueuze dame stapelt een eindeloze hoeveelheid winkeltassen op naast haar tafelgenoot. Zelfs met zijn iele verschijning blijft er voor hem nu bar weinig te manoeuvreren over.
Zuchtend laat ze zich op een stoel vallen. ‘In Madrid… daar kan je pas winkelen! Maar in Málaga… ik heb me rot lopen zoeken.’
‘Je hebt toch nog aardig wat leuke dingen kunnen vinden, Ans,’ piept de man vanuit zijn benarde positie.
‘Tja, ach, uiteindelijk, in dat winkelcentrum. Nou niet bepaald gezellig. Belachelijke prijzen ook en veel te ver uit de loop…’
De camarero komt langs; de wapenstilstand duurt precies even lang als het opnemen van de bestelling van de drankjes.
‘En van het strand moet je het ook niet hebben. Allemaal kwallen en zo’n harde wind dat ik de komende tien jaar geen scrub-behandeling meer nodig heb. Weet je, Gerrit, ik had me er zó op verheugd even lekker een kleurtje op te doen. Zonde van mijn vakantiedagen!’
Het mannetje lijkt zowaar nog verder te krimpen. ‘Ik dacht dat je het leuk vond om je broertje te zien.’
‘Natuurlijk vind ik het fijn om bij je op bezoek te komen, gekkerd.’ Opzij leunend neemt ze hem in zo’n vlezige omhelzing dat hij er een tel later volledig verkreukeld uit tevoorschijn komt.
Ze pakt de menukaart op. ‘Laat me eens even rustig kijken, ik barst van de honger.’
‘Ja, Ans.’
Een moment stilte.
‘Het is hier wel stil, hé?’
Hij haalt zijn schouders op. ‘Jij vond die andere tent te lawaaierig. En de toiletten te vies.’
‘O ja, hier is het gelukkig netjes… maar wel een beetje stil.’
‘Het is ook nog geen twee uur. Beetje vroeg voor de meeste mensen in Spanje.’
‘Niet waar! Op het plein van daarnet was het hartstikke druk en ik zag genoeg mensen eten.’
‘Maar daar wilde jij niet dood gevonden worden, weet je nog? Teveel toeristen, zei je.’
‘Ja, maar waarom zijn we dan niet ergens anders buiten gaan zitten? Lekker in het zonnetje, met een beetje uitzicht…’
Gerrit veegt zijn hoofd af met een papieren servetje. ‘Je vond het te warm, had last van lawaai, een gribus, te weinig schaduw, je had geen zonnebrand bij je, de drukte, teveel verkeer… moet ik nog even doorgaan?’
‘Oké, oké, je hoeft niet zo geïrriteerd te doen, hoor. Jeetje, ik dacht dat jij in Spanje was gaan wonen omdat je er relaxt van werd. Nou, daar merk ik weinig van. Laten we bestellen, volgens mij moet er nodig iets aan jouw bloedsuikerspiegel worden gedaan.’
Ze verdiept zich weer in het menu.
‘Ik zie overal prijzen bij staan, bij de dagmenu’s, bij de gerechten, de hapjes… Japans had je gezegd maar ik kan nergens all you can eat vinden.’
All you can eat? Een simpele lunch zei je, niet te zwaar en niet te duur zodat je die laarzen nog kon kopen. Het dagmenu hier kost maar een euro of zeven en voor een paar euro meer krijgt je er zelfs nog sashimi of sushi bij. Daar kan ik wel een tijdje op vooruit, hoor. Weet je wat, als je straks niet genoeg hebt bestel je gewoon nog wat bij…’
‘Nee nee, ik ben maar een kleine eter! We hebben niet allemaal jouw stofwisseling, broertje. Maar ja, jij maakt je dan ook druk om alles.’
Gerrit aankijkend geeft ze de kaart terug aan de wachtende camarero.
‘Bestel jij voor mij? Ik wil het dagmenu met salade, gyoza, bami en gebakken kip.’
‘Oké.’
Met een vriendelijke glimlach kwijt Gerrit zich van zijn taak.‘Weet je zeker dat je voor die paar euro’s extra geen sashimi of sushi bij wil? Want ik neem dat wel, hoor.’
‘Nee, echt niet! Vanavond gaan we toch ook uit eten? Al hoop ik wel dat je dan iets meer Spaans dan…’ haar kinnen klokken door de ruimte, ‘… dít weet te vinden.’
‘We zaten aanvankelijk toch in een echt Spaans restaurant? Veel Spaanser dan daar zal je in Málaga moeilijk vinden.’
‘Er hingen stierenkoppen aan de muur! Dacht je nu echt dat ik een hap door mijn keel krijg als die arme beesten op me neer kijken? Trouwens, ze hadden bijna alleen maar vlees op de kaart en ik ben zo goed als vegetarisch.’
‘En je bestelde net kip! Dat is toch ook een dier?’
‘Kip is wat anders.’
‘Nietes.’
‘Welles.’
‘Nietes. En kijk, daar is het eerste deel van ons eten al. Gracias señor.’
Hongerig valt Gerrit aan
‘Mmm, lekker deze zeewiersalade. Zeg, waarom heb je eigenlijk kip besteld, je had toch zin in vis?’
‘Doe niet zo flauw, Gerrit! Ik ben het vergeten, nou goed? Mag ik een van jouw sushi’s proeven?’
‘…’
‘Mmm, die zijn lekker…’
‘Eentje, Ans! Je hoeft ze niet allemaal op te eten.’
‘Nou ja zeg, wat kan jij overdrijven…’

Restaurante japonés OISHI
Plaza María Guerrero, 5
29013 Málaga
tel. 0034 951 24 93 32
Open: 12.00-16.00 uur; 19.30-00.00 uur
 
Genietadvisor: Oishi

 

Geplaatst in Blog | 10 Reacties

Een traditie om in ere te houden

Goede tradities zijn er om in ere te houden, daarom is de nacht van San Juan op 23 juni voor ons tot een jaarlijks terugkerende belevenis verheven.
Maar wel ieder jaar op een andere plek.
Werden we twee jaar geleden op het strand van Malagueta overspoeld met populaire dj-muziek voor jongens en meisjes die je in een gemiddelde Malagueño discotheek aantreft, het jaar daarop zaten we op een rave-party van hippies en andersoortige vrije geesten op een geheim strandje bij Benalmádena.
Dit jaar besluiten we “oldskool” te gaan in Málaga, op het Playa de La Misericordia.
“Oldskool’ omdat hier het feest van San Juan nog steeds gevierd schijnt te worden zoals het altijd gevierd werd, nl. als een feest voor de barrio.
Heb ik al gezegd dat er niets mis is met een goede traditie?

‘Playa de La Misericordia, por favor.’
De tamelijk gezette taxichauffeur kijkt me verwonderd aan. Blijkbaar is dat niet de plek waar op San Juan de guiris normaal gesproken naar toe gaan.
Dan verschijnt er een grote grijns op zijn gezicht.
Mi barrio,’ zegt hij vol trots en zijn zakelijke terughoudendheid is op slag verdwenen.
Hoewel het al na elven is en zijn dienst van 12 uur er bijna op zit begint hij toch muy alegre te vertellen over de buurt waarin hij is opgegroeid, de nieuwe ontwikkelingen en het volkse gevoel wat men hier toch nog steeds weet te behouden, de zorg voor elkaar in de steeds snellere wereld, maar ook over de waardering voor muziek en cultuur die in zijn wijk tenminste voor la gente behouden blijft.
‘Kennen jullie La Térmica?’
Natuurlijk.
‘En La Cochera?’
Vanzelfsprekend. Waar kan je anders in Málaga nog een beetje concert voor een redelijke prijs bijwonen?
Zijn spraakwaterval is onstuitbaar. De wijk, de buren, zijn vrouw en zoontje, wat het per maand kost om taxi te mogen rijden, hoe het systeem in Málaga is opgebouwd om alle taxistas een even grote kans te geven om te overleven, dat 60 uur werken veel is maar dat hij geen ander baantje zou willen, mijn oren tuiten van het ratelende andaluz als we uiteindelijk uitstappen.
Maar ik sta wel gelijk in de malagueño modus.
En helemaal als ik de massa mensen zie, het lijkt wel of driekwart van de stad hier is.Al van ver zie ik een felverlicht blauw metershoog bouwwerk waarbij brandweerlui af en aan lopen en waarop iedereen zijn blik heeft gericht.
Het is de júa van dit jaar en stelt een piratenboot voor; het thema van San Juan 2018 is de drugshandel aan de Costa del Sol. Om twaalf uur wordt deze ellende in de hens gestoken en zijn de drugssmokkelgeesten weer voor de komende twaalf maanden bezworen.
Ik kijk op mijn mobiel en zie dat we nog een kwartier hebben, ruim de tijd om een mooi plekje met goed zicht op te zoeken.Terwijl we door de menigte zigzaggen valt het me voor de zoveelste keer op hoe goed Malagueños kunnen wachten: ondanks de spanning en drukte staat men gezellig te kletsen, er wordt niet geduwd of getrokken en het is geen enkel probleem dat wij er met vier personen tussen schuiven.
Zo kan het dus ook. Wel zo relaxt en claustrofobische gedachtegangen zijn ver te zoeken.
Als we een prima stek gevonden hebben blijk ik naast een klein kind dat me vanuit de armen van haar moeder met grote ogen aanstaart te staan.
Die wil ik nog wel even op de foto voor alles losbarst.
Maar zover kom ik niet, want een kreet van de menigte en een plotse hitte die me tegemoet slaat doet me opkijken: shit, ik heb het moment suprème gemist, de júa brandt al als een fakkel.Snel schiet ik nog een paar plaatjes om in elk geval iets vastgelegd te hebben.
‘Zo, dat fikt,’ zegt Hans, mijn vriend de fotograaf die heel verstandig zijn camera thuis heeft gelaten.
Renata knikt. ‘Afval, ik las dat de júas van afval worden gemaakt.’
‘Nou, dan kunnen ze er morgenochtend nog wel een paar in elkaar knutselen.’ Ik gebaar naar de mensen, de partytenten, de tafeltjes met eten en drinken, de boodschappentassen, koelboxen en…
Dan val ik stil.
Vuilniszakken? Hier? In Spanje? Tijdens een feest? Ja, toch echt! En ze worden nog gebruikt ook.
Opgeschoten tieners, vriendenclubjes, jonge ouders en bejaarde buurtbewoners, allemaal bergen ze hun rotzooi netjes op. Op de grond valt geen bierflesje of plastic zak te bespeuren.‘Dat zijn de betere tradities,’ zegt Renata als ze mijn verbaasde blik ziet.
Ik knik. Daar ga ik dan met mijn oer-Hollandse vooroordelen, ik moet dit in Nederland op koningsdag of tijdens een festival nog tegenkomen.Dit hier is duidelijk een familiefeestje, zij het dan eentje met 20.000 gasten, en het schoonhouden van de barrio is voor iedereen blijkbaar net zo vanzelfsprekend als wanneer het bezoek een gastheer niet in de troep laat zitten.
Ik leun achterover op het strand en geniet van het vuurwerk nadat ik mijn lege flesje netjes heb opgeborgen, in mijn tas natuurlijk. Gezelligheid, spektakel en goed gezelschap: ik voel me uitstekend.

En dat blijft zo als we na het vuurwerk tussen de dansende, etende en drinkende menigte door op ons dooie gemakje over de Paseo Antonio Banderas richting stadscentrum wandelen. Nergens een greintje agressiviteit, geen dronken gelal, gewoon een enorme hoeveelheid Malagueños – met af en toe een paar verdwaalde buitenlanders zoals wij – die het samen enorm naar hun zin hebben.
Wat een volksfeest! Een verademing!Naarmate we dichter bij het centrum komen maken de families op het strand plaats voor grote groepen jongeren en vliegen de hormonen je om de oren. Maar nog steeds hangt er die sfeer van gemoedelijkheid en… nog steeds heeft iedereen zijn afval opgeruimd en is het strand schoon.
Des te groter is het contrast als we eenmaal in het centrum een stel tamelijk agressieve dronken Engelsen tegenkomen die hun lege blikjes bier gewoon op straat gooien.
Spanjaarden mogen dan wel de naam hebben veel rotzooi te maken, soms ligt het toch allemaal wat genuanceerder.

Zo zag bijvoorbeeld het Scheveningse strand er 26 juli 2012 uit na een dagje strandweer.

Nee, ik kan alleen maar zeggen:  ‘Wat was het een heerlijke San Juan dit jaar. Een traditie om in ere te houden.’

 

Geplaatst in Blog | 8 Reacties

Alleen maar lieve mensen

Sinds jaar en dag mijden we restaurants waar men je al op straat probeert te ronselen.
Maar vandaag brengen een knagend hongergevoel en een wervende jongeman van de aller beminnelijkste soort ons aan het twijfelen en doet zijn hoopvolle blik ons uiteindelijk toch over de drempel stappen.
Neto, de dolenthousiaste werver/eigenaar?/jonge hond, troont ons mee naar een eersterangs tafeltje tegenover een Japanse gitarist die klassiekers zit te spelen.
Helaas bungelen daar mijn benen tien centimeter boven de grond en verkassen we naar twee rustieke fauteuils om de hoek; via de spiegel kunnen we de gitarist net nog zien.
Buiten ons zijn er twee jonge Amerikanen en een Japanse hippie die een immens bord eten naar binnen werkt en vermoedelijk bij de gitarist hoort, want aan het eind van elk nummer onderbreekt hij zijn schranspartij en applaudisseert uitbundig.
Moeders de vrouw komt de keuken uit, omhelst ons hartelijk en racet weer terug. Het maakt niet uit, Neto’s aanwezigheid telt voor twee.
Binnen geen tijd weten we dat: zijn vrouw een rasechte Malagueña is, de mensen hier vriendelijker zijn dan waar hij vandaan komt, hij weinig van wijnen weet maar ons wel het flesje kan aanraden dat hijzelf regelmatig door zijn keelgat giet, hij antropologie heeft gestudeerd, het leven in Málaga voor gewone mensen onbetaalbaar wordt…
José stopt zijn spraakwaterval. ‘Ik wil de vis- en schelpdierensoep wel.’
Ik herinner me mijn honger. ‘Voor mij ook, graag!’
Neto grijnst van oor tot oor en schiet de keuken in.
‘Het is hier wel erg stil, hé? Ik hoop maar dat het eten lekker is.’
‘Ach, het is nog vroeg voor Spaanse begrippen’ Onverstoorbaar knabbelt José van het brood.
‘Ja, maar toch… live muziek… je zou verwachten dat…’
Twee naar koriander geurende borden boordevol vis en schelpdieren onderbreken mijn twijfels.
Bij de eerste hap weet ik het: dit is een vissoep waar ze me wakker voor mogen maken.
Opeens snijdt een kattengejammer vanuit het niets door de kleine ruimte.
Ik krimp ineen en José laat van schrik zijn lepel vallen.
Het duurt even voor ik besef wat er aan de hand is. Maar dan proest ik het uit.
‘Nou weten we gelijk waarom Japanners en karaoke altijd zo op lachspieren werken,’ hik ik. ‘En waarom het hier zo stil is.’
Onze Japanse gitarist verlevendigt zijn spel nu namelijk met zijn stembanden.
Niet eerder heb ik iemand zo overtuigd vals horen zingen.
Ik dank mijn korte benen dat we niet meer vlak voor hem zitten.
‘Kan iemand hem alsjeblieft vragen op te houden,’ kreunt José.
Ik kijk om me heen.
De Amerikaanse jongens hebben zich, plots geboeid door hun papieren servetten, teruggetrokken in hun strategisch gekozen hoekje, de Japanse hippie steekt na elke twee happen beide duimen omhoog, Neto heeft opeens het werk op straat hervat en zijn vrouw die op het eersterangs plekje is gaan zitten lacht de artiest, haar ogen af en toe pijnlijk samenknijpend, bemoedigend toe.
Passanten die nieuwsgierig stoppen kiezen het hazenpad als de zang weer uithaalt.
Ik schud mijn hoofd. ‘Neto en zijn vrouw zijn te aardig om er iets van te zeggen.
Zelfs al kost het klanten…’
Op dat moment zie ik het mandje met geld aan de voeten van de muzikant; en dat hij twee verschillende schoenen draagt.
Als zijn hongerige kameraad ook een gitaar pakt en geluidloos begint mee te spelen ontdek ik onder diens snor en baard ingevallen wangen.
Twee aan lager wal geraakte gitaarstudenten, ver van huis en familie, en twee zachtaardige en vriendelijke restauranthouders die hen onmogelijk kunnen weigeren wat eten en leeftocht bij elkaar te spelen zelfs als dat een lege toko betekent, het verhaal begint zich in mijn hoofd te vormen.
Wanneer we de laatste korrels rijst van ons bord vegen komen twee vrienden van Neto binnen. Ze babbelen wat, vragen om een fles wijn en vier glazen en halen de muzikanten daarna over om een pauze te nemen op het terras.
En dan geschiedt het wonder: de een na de andere klant stapt binnen en in een mum van tijd zijn alle tafeltjes bezet.
Ik kijk naar buiten en zie dat de Japanners absoluut nog niet aan hun volgend setje toe zijn: fles één heeft al plaats gemaakt voor nummer twee, het gesprek gaat zichtbaar over pluimen en muziek en voor het eerst zie ik onze gitarist een hapje eten.
Wanneer we het restaurantje verlaten en het groepje kersverse vrienden passeren stralen de muzikanten als gefêteerde popsterren door zoveel aandacht.
‘Dat is ook een manier,’ merkt José op. ‘Niemand gekwetst en de toko heeft toch een goede avond.’
‘Ja, wat een lieve mensen, hé? Maar ze zullen voorlopig wel geen wildvreemde muzikanten meer laten spelen.’

Wildvreemden niet, nee, als we de volgende dag weer langs lopen horen we onze Japanse Jut en Jul met hernieuwde energie de tweede helft voortzetten.
En het gekke is: van heinde en ver lijkt men op het exotische fenomeen af te zijn gekomen, de tent zit tot de nok toe vol.
‘Hoe zat het ook alweer met die zachtmoedigen die de aarde beërven?’ grinnikt José.
Een beetje vriendelijkheid legt duidelijk geen windeieren.

Wilt u de audio-ervaring van deze belevenis?

Geplaatst in Blog | 11 Reacties

De kookverslaving

In een oogwenk samurait de Japanse kok de berg kakelverse etenswaar tot de juiste stokjesvriendelijke proporties.
Ik zap door en zie nog net hoe de sympathieke Spaanse presentatrice een gloeiendhete Fresno-peper in de mond gestopt krijgt door een onschuldig uitziend Mexicaans omaatje. Gelukkig blijkt er genoeg zoetigheid voorhanden om de uitslaande brand te blussen: ondertussen weet ik dat Spanjaarden en picante geen goede combinatie vormen.
Terwijl ze hoestend en proestend weet uit te brengen dat de smaak van de peper een ervaring muy especial is, ga ik even naar de Spaanse versie van “First Dates”, een datingprogramma dat zich altijd afspeelt in… jawel in een restaurant, kijk vervolgens een minuut of vijf naar “Junior Master Chef” en dan wordt het tijd voor de nachtelijke afsluiter met de abuelas, de grootmoeders die hun traditionele gerechten met ingewanden, kilo’s suiker en anderszins inmiddels uitgebannen producten demonstreren.
Waren het vroeger kookboeken waarboven ik als ware het porno zat te kwijlen, nu vrees ik verslaafd te zijn aan programma’s waar het over eten gaat en helemaal aan Canal Cocina.
De klok geeft inmiddels een uur ’s nachts aan en ik moet echt naar bed.

Ik heb een buitengewone belangstelling (of is het een bijna-obsessie?) voor eten, mijn hele leven al.
Waarom? Misschien door het ranzige voer uit mijn kostschoolverleden of door mijn vader die op feestdagen de heerlijkste pot-au-feu of poulet Marengo maakte.
Maar het zou ook zomaar aan mijn hyperactiviteit en bijna twee meter lengte kunnen liggen dat ik zo vaak aan eten moet denken.
Hoewel, als ik alleen ben is het een stuk minder. Dus het kan ook de gezelligheid zijn van het gezamenlijk nuttigen van een heerlijke maaltijd.
Feit is in elk geval dat eten én koken als een rode draad door mijn leven lopen.
Zoals de befaamde Franse uiensoep uit mijn arme studententijd bijvoorbeeld: het ideale verjaarscadeau voor als je platzak bent, een uitstekende binnenkomer op vloeibare feestjes en een fantastisch anti-katermiddel voor erna. Mudden uien en liters bouillon zijn er in die dagen doorheen gegaan.
Dat samen eten dé manier is om sneller tot het innerlijk van de ander door te dringen (of beter gezegd: om de innerlijke processen van de ander eerder aan de oppervlakte te laten komen) is iets waar ook Renata over mee kan praten. Onze eerste drie dates vonden toevallig allemaal plaats op vrijdag, de dag die ik als vader van vier zonen zo’n beetje als peulvruchtendag bestempeld had.
Voor de eerste date maakte ik chili con carne, op de tweede kwamen we ‘per ongeluk’ terecht bij een Mexicaan en de derde keer besloot ik de Braziliaanse zwarte bonenstoof te maken waar mijn kinderen zo gek op zijn.
Het was erop-of-eronder (volgens Renata horen bonenschotels-met-overnachting pas plaatst te vinden in fase driehonderdvijftig van een relatie), maar dat we nu al twaalf jaar bij elkaar zijn schrijf ik toch stiekem toe aan die peulvruchtenschotels.
Ze waren namelijk heel lekker.
Ook het bouwen van mijn huis in Spanje stond in het teken van eten en gezelligheid. Er moest uitgebreid in gekookt, gebrouwen, gebakken én gegeten kunnen worden.
Door mijn reeds genoemde lengte van bijna twee meter en het voornemen dat eenpanshappen voorgoed tot het verleden gerekend moesten worden ging ik me te buiten aan ruimte, werkbladen, kasten en inrichting en werd mijn keuken het Mekka van een hobbykok met centraal een grote eettafel.
Genoten in het begin alleen bezoekende vrienden en familie van mijn culinaire experimenten, toen ik mijn huis ging verhuren aan vrienden- en vriendinnenclubjes en gezinnen en families smulden ook die ervan.
En de coaching groepen niet te vergeten, want waar gecoacht wordt moet ook goed gegeten worden.
Vegetariërs en veganisten, groentehaters, glutenvrijen, suikerlozen, in het begin bezorgden alle speciale wensen me een punthoofd.
Maar al gauw werd het een uitdaging, zo van: hoe krijg ik iets zo smakelijks op tafel dat zelfs de gasten zonder voedselallergie het water in de mond loopt.
Zo ontstonden het suikervrije chocolade ijs van sojamelk, pittige pastinaakpuree, de warme rode bieten salade, de zomerse paprikasoep, de groene hond en nog tientallen andere nieuwe gerechten.

zomerse paprikasoep

zomerse paprikasoep

pittige pastinaakpuree

pittige pastinaakpuree

koudgerookte jurel

koudgerookte jurel

Vaak kwam van het een het ander en op een gegeven moment kon ik moeiteloos een meergangen weekmenu samenstellen voor ontbijt, lunch en diner voor een groep van tien of twaalf personen met speciale wensen.

11222109_10206223148890513_4604528792495346564_n11701193_10206223148730509_8859149794023584751_n

Waarbij ook nog eens bijna alle producten uit mijn biologische moestuin kwamen.
Als zo’n groep er was dook ik bij het ochtendgloren tussen de pannen en potten, produceerde een mise-en-place van meerdere vierkante meters, kwam slechts uit mijn kokkerelhol om groenten en kruiden te plukken of de deelnemers te verrassen met hapjes als cadeautjes en leefde me tot ’s avonds laat uit in mijn ideale keuken als een manische voedsel-Picasso.
En toen werd ik ziek en kwam er van koken en gasten lange tijd niets meer.

‘Hola José Antonio ¿conoces Alberto Chicote?’
Het is vriend en mede kookfanaat Fede van La Casa del Perro.
‘Euh… ja?’
Alberto Chicote ken ik wel, want zeg nu zelf, wie in Spanje kent die kok niet. De man is megabekend, in ieder geval bij de Canal Cocina verslaafden onder ons.

‘Solo la cocina, José Antonio, solo la cocina,’ had Julio de productieleider gezegd. ‘Y somos cinco.’
Inderdaad arriveerden er om twaalf uur vijf personen. De filmploeg, stuk voor stuk jonge mensen die die ochtend heel vroeg met de trein uit Madrid vertrokken zijn.
Een half uur later worden er echter nog twee mensen door een vader, oom of opa (?) bij de deur afgeleverd. Het blijken de poederdames te zijn.
En daarna volgen de figuranten, een assistent, een assistent van een assistent, een andere filmploeg om de omgeving op de plaat te zetten en uiteindelijk komt ook de grote Chicote.
Zover de afgesproken vijf personen.
En wat betreft de geplande locatie, oftewel mijn keuken?
Gaandeweg heeft de activiteit zich over de woonkamer, de terrassen en de moestuin uitgebreid, heeft Renata zich voor de veiligheid boven in haar werkkamer opgesloten en kijk ik dus nieuwsgierig toe vanuit mijn hangmat.
Ineens is iedereen stil. Er wordt opgenomen.
Ik laat mij uit de hangmat zakken en sluip naar de keuken.
Ana blijkt een natuurtalent, ze praat en beweegt als een volleerd actrice.
Wanneer de opname klaar is komt een heel series kijkende Julio naar me toe.
‘José Antonio, tengo dos problemas.’
Probleem één blijkt mee te vallen. Ze hebben straks voor de opname aan tafel graag iemand met grijs haar. Of ik dat wil doen.

Maar probleem twee is van een andere orde.
Tijdens de voorbespreking had Julio me gevraagd of ik misschien voor de crew zou kunnen koken. Na een dag opnames waren ze namelijk altijd erg moe en hadden nooit zin om op restaurant te gaan. Het moest iets zijn dat ik tevoren kon klaarmaken want de keuken zou veranderen in een filmset.
Omdat ze met zijn vijven waren had ik voor zeven personen, Renata en ik moeten tenslotte ook eten, een omgekeerde vistaart voorbereid.

Tot zover was alles in kannen en kruiken.
En nu vraagt Julio ineens of ik straks na de opnames voor iedereen hier kan koken… inclusief Alberto Chicote. Bij die laatste trekken mijn billen zich toch even samen.
Een grotere vistaart maken is geen optie, alles is al “gelaagd”. En voor iets anders moet ik naar de winkel en die vindt je in de campo niet naast de deur.
Terwijl ik naarstig zit na te denken over een oplossing komt Alberto naast me zitten en begint een praatje. Hoe fantastisch hij mijn keuken vindt en dat mijn woonkamer zo op die van hem in zijn nieuwe huis lijkt. Hij haalt zijn mobiel tevoorschijn en laat me de foto’s zien. Daarna hebben we het over moestuinen en moestuinieren, de ontspanning van het werken met vingers in de klei, iets wat hij nodig weer eens zou moeten doen, over het feit dat hij zo’n beetje geleefd wordt de laatste jarenm, dat dat niet goed is voor een mens, en … over lekker eten natuurlijk. Ondanks dat we qua uiterlijk tegenpolen zijn, hij is klein en stevig en ik ben lang en mager, hebben we veel gemeen en al kletsend vloeit alle spanning over het avondeten van me af.
Ik verzin wel wat straks.

Wanneer de avond valt en de laatste opname gemaakt is, komt Alberto naar me toe.
‘José Antiono, lo siento mucho, maar ik ben helemaal versleten. Dus ik eet niet mee maar ga meteen naar mijn hotel en naar bed. Maar ik beloof je dat ik binnenkort bij je kom eten.’
Hij geeft me een abrazo en vertrekt. En heel zijn gevolg volgt hem.
Een half uurtje later verorberen Renata en ik samen met de vijf leden van de crew onder het genot van een drankje de vistaart.

Als verrassingstoetje heb ik een groene hond gemaakt. Wordt er eerst nog argwanend naar gekeken, na de eerste hap is iedereen verkocht.
‘Chicote weet niet wat hij mist,’ zegt Julio en met zijn vinger veegt hij het laatste restje uit zijn glas.
Als iedereen zijn bed heeft opgezocht drink ik nog een glaasje om de dag te overdenken.
Het heeft wel wat, al dat leven in de tent, ik merk dat ik dat gemist heb.
Dan kijk ik op de klok. Eén uur, ik moet nu echt naar bed.
Morgenochtend om half zes sinaasappeltjes persen voor de crew.

Geplaatst in Blog | 10 Reacties

Over boeken, moestuinieren, mañanamannen en chaos in het hoofd

Mijn hoofd loopt over en mijn moestuin idem dito.
Een rampzalige samenloop van omstandigheden, waarbij kop-staartverwarring zich tot het oneindige lijkt uit te strekken.
In ieder geval zolang de regenval blijft duren aan de ene kant, terwijl ondertussen de gedachtes zich blijven opstapelen omdat ik de laatste punt van mijn boek nog niet heb kunnen zetten.
Ik ben namelijk een fervent moestuinfullnes-beoefenaar.
Ontspannen met de vingers in de klei en in het hoofd slechts ruimte voor plantjes is mijn manier om in de “nothingbox” (zie vorige blog) te geraken en hét middel om mijn schrijversmodus op pauze te zetten en de personages, zinsconstructies en puntjes op i-en een halt toe te roepen.
Alleen gaat het hem dit keer niet worden, weet ik wanneer ik al na twee stappen tot de knieën in de modder zink.
Wat nu?
Hoe zet ik nu mijn zinnen om tot zennen?

Dan valt mijn oog op het appartement dat bij ons huis hoort. Het is de favoriete logeerplek van vrienden en familie maar gedurende de rest van het jaar doen we er niets mee.
En al jaren hikken we tegen het wel of niet verhuren ervan aan.
In schrijfmodus zijn we namelijk tamelijk “op onszelf” en om dan wildvreemde mensen in ons paradijsje toe te laten… je weet nooit wat voor vlees je in de kuip gaat krijgen.
Aan de andere kant: nieuwe mensen ontmoeten zorgt er wel voor dat we niet wegkwijnen als excentrieke zonderlingen op de campo. En wie weet krijgen we gasten die later tot markante karakters in een van de boeken kunnen worden geboetseerd.
“Elk nadeel heb se voordeel”, zoals Cruijff tenslotte altijd zei.
Al spelend met het idee stap ik daarom naar binnen en kijk om me heen. Douche, toilet, slaapruimte, een keukentje en woongedeelte, toch wel een fijn plekje. Lekker licht ook, en het uitzicht niet te versmaden: de Maroma, het golvende landschap, het stuwmeer, in de verte de zee…

Waanzinnig uitzicht

 

Echt zonde dat we het zo weinig gebruiken.
Ik loop weer naar buiten en laat me op een ligstoel zakken. Op wat gekwetter van vogels na heerst er hier op het terras stilte.
Terwijl de zon mijn door het schrijven stram geworden botten verwarmt daalt er rust neer in mijn hoofd.
Rust!
Als door een bij gestoken vlieg ik overeind.
Natuurlijk! Ik ga er gewoon mee aan de slag. Verstand op nul en de boel opknappen: mindfull verven werkt beslist zo goed als tuinieren.
Maar ik moet wel even uitzoeken hoe dat verhuren precies in zijn werk gaat, en eigenlijk mag dat ene plekje wel gestuukt worden, en misschien een ander tafeltje in het zitgedeelte, en als ik nu gelijk ook eens werk maak van die vloerverwarming en –koeling?
Vol nieuwe energie en plannen ga ik aan de slag, vergetend dat het in Spanje met zijn mañanamannen wel eens anders loopt dan verwacht.

Zo kan de vrachtwagen die spullen komt brengen bijvoorbeeld een lekke band voor je huis in de campo krijgen.  En omdat de chauffeur toevallig zijn reserveband is vergeten ben je even later twee uur onderweg om die op te halen.Of komt de fontanero doodleuk drie keer niet opdagen om, als hij er dan eindelijk is, precies dat ene verbindingsstuk niet bij zich te hebben wat nodig is.
En dat als hij eindelijk de klus geklaard heeft de verbinding twee dagen later blijkt te lekken ik dit in feite had kunnen verwachten.
Een griepgolf die de ene helft van de mañanamannen uit het veld slaat, regenval waardoor de andere helft halverwege ons huis vast komt te zitten in de barro, leidingen die door weersomstandigheden dan wel eerdere “bedrijfsongelukjes” het loodje leggen: uiteindelijk is het niet veel meer dan wat er in een gemiddeld winterseizoen op de campo aan de hand kan zijn.
Over het vergunning aanvragen voor een officiële casa rural bij de Junta de Andalucia en de papierwinkel die daarbij hoort zal ik het daarom maar niet hebben.
Kortom, een fantastisch plan om straks het appartement te gaan verhuren maar van de gehoopte rust komt niet veel. In plaats daarvan wordt mijn hoofd bevolkt door problemen, obstakels en alle beren die ik daar zelf nog eens bovenop gooi.
Maar wonder boven wonder, toch lukt het me om mijn nieuwe roman op tijd af te krijgen. Ik hoef alleen nog maar een synopsis te maken en dan kan het manuscript naar de uitgever.
En geloof het of niet, uiteindelijk is ook het appartement (verhuur)klaar. Het enige wat nog ontbreekt is een groot expansievat voor de vloerverwarming cq koeling dat ik besteld heb.
‘Een levertijd van maximaal een week,’ sprak de leverancier met volle overtuiging.
Het is nu drie weken en even zoveel bezoeken aan de zaak later, maar een expansievat? Nada.
Voor de vierde keer klop ik aan bij een baliemedewerker.
‘Sorry, hoor, maar de fabriek heeft wat leveringsproblemen.’
Tja, dat heb ik meer gehoord. ‘Maar wanneer komt hij dan,’ vraag ik.
‘Geen idee.’ De knul schokschoudert en gaat verder met artikelen prijzen. ‘Over een week si tienes suerte (als je mazzel hebt).’
Of het nu door het suerte komt of omdat mijn zen gevoel al weken ver te zoek is, weet ik niet, maar ineens ontplof ik.
‘¡Suerte! Wat heeft suerte daar nu mee te maken. Jullie moet dat gewoon regelen!’
Ik kan het coño nog net op tijd inslikken.
Weer een schokschouder: ‘Sin problemas.’
De man loopt naar de kassa, haalt daar mijn aanbetaling uit en smijt het geld op de toonbank.
‘Dan is hierbij uw bestelling geannuleerd,’ zegt hij en scheurt de bestelbon in stukken.
Ik sta zo met mijn mond vol tanden dat hij openvalt.
Dan herinner ik me de woorden van Jorge, mijn buurman en beste vriend hier in Spanje.
‘José, als je écht ergens een probleem hebt, of het nu in een restaurant is of in een winkel, vraag gewoon naar het libro de reclamaciones.’downloadDus veeg ik de papiersnippers bij elkaar, stop ze in mijn zak en zeg: ‘Prima, en mag ik dan ook meteen het libro de reclamaciones van je ?’
‘Ja hoor, ik ga het meteen voor u halen.’ En weg is de baliemedewerker.
Nou Jorge, denk ik, dat libro de reclamaciones is iets van vroeger of zo want aan de reactie van deze man te zien vindt hij het absoluut niet erg dat ik erom vraag.
Maar als er even later opeens een keurige heer in kostuum voor me staat die me beleefd vraagt of ik even mee naar zijn kantoor wil komen, voel ik dat Jorge misschien toch gelijk gaat krijgen.
‘Sorry, sorry, sorry mijnheer, dit had natuurlijk nooit mogen gebeuren,’ begint de man als ik plaats genomen heb. ‘Natuurlijk krijgt u van mij het klachtenboek als u daarop staat, maar misschien kunnen we samen eerst proberen of we niet tot een oplossing kunnen komen.’
En jawel hoor, na een aantal telefoongesprekken vindt de directeur, want dat staat onder zijn naam op het bordje, een expansievat voor me dat gegarandeerd binnen een week geleverd kan worden. Het is wel drie keer zo groot dan het vat dat ik heb besteld, maar eerlijk gezegd komt me dat best goed uit.
‘En de prijs?’ vraag ik.
‘Minuutje,’ antwoordt de directeur. Hij pakt een rekenmachine uit de lade en begint er driftig op te tikken. Als hij daarmee klaar is laat hij me het resultaat zien.
En Jorge heeft gelijk, het libro de reclamaciones is een wondermiddel in Spanje. Echt het beste boek dat er is.
Alhoewel, ik hoop natuurlijk dat mijn nieuwe boek dat straks blijkt te zijn.
En mocht u het appartement willen boeken, er ligt een libro de reclamaciones.
Al weet ik zeker dat u het niet nodig zult hebben.

Geplaatst in Blog | 4 Reacties