Grenze(n)loos

In een paar weken tijd is de wereld een stuk groter geworden. De 2,5 uur vliegen naar mijn dierbaren in Nederland is ineens een tocht van 2200 km. En dan heb ik het niet eens over diegenen die nog veel verder weg wonen.
Mijn lief vertrekt begin maart voor anderhalve maand naar Nederland, mijn ticket om de kinderen te bezoeken staat voor twee weken later gepland omdat de makelaar langskomt en dan breekt de coronapleuris uit.
Grenzen sluiten, steden en dorpen geïsoleerd, huizen zijn van de ene op de andere dag slechts muren die de boze buitenwereld buiten en bewoners binnen moeten houden.
Plannen verdampen, de een na de andere vlucht wordt geannuleerd en maakbaarheid blijkt een illusie.
Ik red me wel in mijn huis op mijn berg in de campo, ver van de bewoonde wereld en met een grote moestuin. Een tijdlang maak ik er een sport van heerlijke gerechten te bereiden van wat het land en mijn voorraadkast te bieden heeft.
Tot na vijf weken ook de vluchten voor de volgende maand gecanceld worden, mijn lief in Nederland begint te klagen over huidhonger, de noodzakelijke MRI in Spanje in geen velden of wegen tot de mogelijkheden begint te horen en ik merk dat tijd me als zand door de vingers glipt.
In barre tijden wil je bij je geliefden zijn.

Alleen: hoe kom je naar Nederland vanuit een land dat volledig op slot zit?
Onmogelijk, zeggen sommigen. Als resident en met auto met  Spaans kenteken word je linea recta terug naar huis gestuurd, in dit geval dus naar mijn berg in la Axarquia.
Je komt de grens met Frankrijk echt niet over, zegt weer een ander.
België zit potdicht, draconische boetes, afgesloten wegen…
Ik stuur een mail naar de Nederlandse ambassade in Madrid. Het antwoord komt meteen: Geachte heer,
via de volgende link kunt u nalezen aan welke voorwaarde u dient te voldoen als u met de auto van Spanje naar Nederland reist: https://www.nederlandwereldwijd.nl/documenten/vragen-en-antwoorden/reisadvies-spanje-1 
Het mag dus gewoon.

Maandag, kwart voor vijf ’s ochtends, iets vroeger dan de bedoeling maar ik ben nu eenmaal wakker; dat krijg je als je een week lang elke dag steeds vroeger naar bed gaat.
Vandaag hoop ik Frankrijk te halen. Het vooruitzicht van geopende hotels en een zacht bed, een mogelijkheid die ik in Spanje kan vergeten.
Twee uur rijden, een half uur rust heb ik het thuisfront beloofd.
Een karrenvracht aan water: check.
Mondkapjes, handschoenen: check.
Kussen en deken: check. Het proefliggen voor tussentijdse dutjes heb ik de afgelopen dagen meerdere keren getest en ook hiervoor geldt: check.
Een snelle douche en geen koffie: over een uur in het donker ergens in het veld naar de wc trekt me niet aan.
Ik zet de koelbox met eten achterin, leg het doorzicht mapje met mijn paspoort, de brief van de Nederlandse ambassade in Madrid, het attest voor de Franse politie, de brief van de Nederlandse ambassade in Brussel, en de uitgeprinte telefoonnummers van alle drie de ambassades op de bijrijdersstoel, schakel “locatie volgen” op de WhatsApp van mijn kids en lief in en start de auto.
En zet de motor direct weer uit.
Beter mijn residentiekaart e.d. ver weg in het handschoenenvak  stoppen: verwarring voorkomen, geen slapende honden wakker maken en zo.
De eerste 50 kilometer hobbel ik voort over binnenwegen; twee vossen en een konijntje dat gelukkig aan mijn koplampen weet te ontsnappen zijn mijn enige ontmoetingen, verder kom ik geen hond tegen.
De autovia is op wat vrachtverkeer na leeg. Cruise-control op 124 km en gassen maar.
Bij Aranjuez is de linker rijbaan afgesloten en niet voor wegwerkzaamheden: een Guardia Civil laat vrachtwagens door maar personenauto’s moeten de parkeerplaats op.
Tot mijn verbazing gebaart agent nummer twee dat ik door mag rijden. Zie ik er zo overduidelijk als een guiri uit?
De rondweg rond Madrid is zo leeg dat het bijna eng is: de stad oogt als een spookstad.
Hij gaat hard, nog geen 11 uur en hij is nu al voorbij Madrid appt zoon Mattijs.
De wc’s zijn inderdaad dicht merk ik als ik tank. Gelukkig is er verder geen mens.
De grens bij Irun is de péage; er staat een hele batterij Franse politiewagens met zwaailicht op de middenstrook en drie personenauto’s met een Spaans kenteken en gevuld met boze gezichten komen van de grens terug.
Oei, de ambassade kan dan wel gezegd hebben dat ik zonder problemen met mijn Spaanse auto naar Nederland kan rijden, maar weten de Franse gendarmes dat wel?
Bij de verbreding van de péage laat ik het gaspedaal los en komt er een grote vrachtwagen links langszij. Ik stuur, de aanhanger naast me houdend, naar het meest rechtse tolpoortje, wacht tot de chauffeur ook betaald heeft en trek gelijk met hem op.
Met samengeknepen billen blijf ik naast de vrachtwagen rijden; elk moment verwacht ik een scherp Frans politiefluitje te horen.
Als ik er na een paar honderd meter vandoor ga knippert de vrachtwagenchauffeur met zijn lichten en steekt beide duimen omhoog.
Een half uur lang kijk ik in mijn achteruitkijkspiegel of er geen blauwe zwaailichten komen aanstormen. Maar de kust is veilig en ik adem uit.
Vlak voor Bordeaux een fuik. Door het zijraam laat ik de knappe, slanke gendarme mijn doorreisformulier en paspoort zien.
‘Openmaken,’ gebaart ze. Met een grote grijns hou ik mijn foto naast mijn gezicht.
Een grijns terug, met een ‘bon voyage’ mag ik verder.
Mijn ouweheer zaliger zei het al: ‘Een glimlach helpt je door het ganse land.’
Na de spookachtige confrontatie met Madrid is Bordeaux verbijsterend. Ondanks de strenge lockdown in Frankrijk is het er als altijd chaotisch druk.
Om iets na half 7  ben ik bij mijn hotel. Ik ben de enige gast en voor de kamersleutel moet ik bellen want personeel is er niet.
Vandaag 1285 km, morgen 895 app ik naar het thuisfront.
De meegebrachte huzarensalade van de Lidl smaakt prima.
Wanneer de naweeën van de autorit uit mijn lijf getrild zijn val ik in een diepe droomloze slaap.

Om half zes word ik wakker. Douchen en op pad.
Een lege autoroute, heerlijk. En het is Frankrijk, de cruise-control mag op 134 km.
Iets voorbij Tours kom ik plots een colonne busjes tegen. Ik tel er 68, allemaal politie. Ook op weg naar Parijs?
Lockdown of niet, op de peripherique staat het als vanouds vast. Het kost me een uur. Sommige dingen veranderen nooit, zelfs niet als de wereld op zijn kop staat.
Op de autoroute naar Lille zijn echter weer enkel wat vrachtwagens.
Bij de Belgisch/Franse grens politiecontrole. Mijn Nederlands paspoort blijkt genoeg.
Na Gent nog even goedkoop tanken. (later lees ik dat je helemaal niet in België mag stoppen) Niemand trekt zich iets van de 1,5 meter aan en iedereen gebruikt dezelfde betaalterminal zonder handschoenen. Met mijn mondkapje en handschoenen waan ik me een vreemdeling in een vreemd land. Wat natuurlijk ook zo is.
België is duidelijk iedereen liever kwijt dan rijk want er is alleen grenscontrole het land in. Zonder problemen rol ik Zeeuws Vlaanderen binnen terwijl het thuisfront WhatsApp-juicht.

Het is kwart voor vier wanneer ik in Vlissingen arriveer. Even wachten voor het stoplicht bij de Keersluisbrug en dan de laatste paar honderd meter.
Wanneer ik de hoek om rijd staat mijn lief me op straat op te wachten, de track-app in de hand.
De brede lach, een niet-eindigende omhelzing, de postbode die even niet weet hoe de 1.5 meter regel aan te pakken met twee gelukkige dwazen op de stoep: thuis is waar je hart is.

 

Voor diegene die de benodigde formulieren voor een reis naar Nederland wil downloaden:

Verklaring+Doorreis+Belgie

07-04-20-Attestation-etranger-metropole-FR

Autorizacion+Viaje+Espana

Nederlandse Ambassades

Geplaatst in Blog | 25 Reacties

3 werelden, over kunst, cultuur en feestvieren

Een leeg restaurantje in hartje Cáceres maar we mogen alleen aan het minuscule tafeltje in de hoek plaatsnemen.
Waarom? Het antwoord arriveert een half uurtje later in de vorm van een gevarieerd, veelkleurig, artistiekerig gezelschap van een man/vrouw/kind of veertig.
Binnen de kortste keren heerst er zowel in het restaurant als op de binnenplaats een uitbundige feeststemming. Gitaren komen tevoorschijn, kelen worden gesmeerd met wijn en bier, kinderen dompelen zich onder in de vingerverf en enthousiast blaffende honden pikken een graantje mee van de ongelukjes met de overvolle schalen met hapjes.
Wat een feestje! Enthousiast klappen we op de maat van de muziek.
Drie tellen later delen we mee in de rondgaande tapas en wijn.
Waar ze vandaan komen?
Uit Andalucia natuurlijk!

We struinen door een historisch befaamd, maar van ieder leven verstoken stadje ergens in het noordwesten van Spanje. De jeugd en iedereen met een beetje moed of avontuurlijke geest is er allang vertrokken en de achterblijvers hebben hun goede humeur en gevoel voor gastvrijheid in elk geval vandaag aan de wilgen gehangen: op het enige terrasje dat open is doet de camarero of we niet bestaan en kijken de drie overige terrasgangers, duidelijk autochtonen, ons bijna weg.
Het zal ons chorizo wezen, we hebben acht uur in de auto gezeten om hier te komen en blijven lekker zitten.
Het gegrom van de bediening even later beschouwen we gewoon als iets onvertaalbaars en het doodgeslagen bier wijten we aan de weinige klandizie.
Wanneer ’s avonds de romantiek van ons geplande diner in het historisch hotelletje stukloopt op een chagrijnige matrone die luidkeels haar ergernis over haar enige twee klanten, wij dus, in de galmende hal spuit tegenover een collega – haar geaffecteerde Castiliaans is bijzonder vertaalbaar – blazen we wél de aftocht; dan maar een glas aan de bar.
Het is er kaal: een paar tafeltjes, wat barkrukken, veel loze, metaalglanzende ruimte en een schetterende televisie in de hoek aan het plafond. De enige aanwezigen zijn vier bikers die met pullen bier aan de voetbalbuis gekluisterd zitten.
‘Welke elftallen spelen er?’ vraag ik aan een vierkante, met enorme baard en piercings getooide man.
‘Sevilla FC en Real.’ Hij klopt op zijn brede borst. ‘Ik ben van Sevilla!’
‘En wij komen uit Jeréz!’ De magere man naast hem wijst op de twee anderen.
‘Dat is ook toevallig, wij wonen in Málaga,’ gooi ik mijn duit in het zakje.
Vier grote grijnzen.
Todo Andalú!
We worden omhelsd en barkrukken worden voor ons aangeschoven.
Al na het eerste biertje blijk ik een fervent FC Sevilla aanhanger en vijf glazen later zijn we dikke vrienden en zit de feeststemming er, ondanks de onvermijdelijke nederlaag tegen Real, behoorlijk in.

Ze weten hoe ze een feestje moeten bouwen, mijn regiogenoten. En hier thuis in Andalucia helemaal. Zijn er gedurende het hele jaar al overal romerias en fiestas, als de zomer na San Juan losbarst weet je van gekkigheid vaak niet meer naar welke Feria je dit keer weer moet gaan. Is op maandagochtend het vuurwerk in het ene dorp net verstomd, twee dagen later knalt dat van het volgende dorp je om de oren.
Waar dat feestvirus vandaan komt?
Sommigen wijten het aan de combinatie zomerhitte en drank.
Maar volgens de dames en heren etnologen is het te danken aan de mix van culturen hier in Andalucia.
En als ik alleen al luister naar flamenco-muziek, met zijn Joodse, Arabische en zigeunerinvloeden en dat combineer met de oneindige katholieke feestkalender hier ben ik zeer geneigd het met deze deskundigen eens te zijn.
Er zit muziek in de multiculturele samenleving van Andalucia en dat mag gevierd worden.


De plaats waar deze laatste stelling volledig onderschreven en beleefd wordt is Frigiliana. In dit juweeltje onder de beroemde witte dorpen – meerdere malen uitgeroepen tot het mooiste dorp van Andalucia – met zijn kronkelende steegjes, dakterrassen, aljibes en almacenes wordt sinds 2005 elk jaar eind augustus vier dagen lang het Festival Tres Culturas gevierd met kunst, muziek, dans, theater en, om zoveel mogelijk mensen daarmee kennis te laten maken, natuurlijk met een feestje vol lekker eten.

‘Ik pendel alles uit. Als ik iets uit de koelkast haal leg ik altijd mijn hand op het etiket en pendel ik of ik het nog kan eten. Gaat de pendel van links naar rechts dan verdwijnt het in de vuilnisbak.’
Paul de Roos, bijna 87, kunstschilder en vroeger docent aan de kunstacademie van Maastricht, kijkt me aan met een blik van: ik-weet-dat-je-me-niet-gelooft-maar-toch-is-het-echt-waar.
‘En zo heb ik ook uitgependeld waar mijn familie oorspronkelijk vandaan komt. En dat is hier, uit deze streek.’
Al zwervend door Frigiliana ben ik bij El Toko beland, de pop-up galerie van Pauls dochter Prisca, al waar hij  een expositie heeft van zijn recentste werk.
Nu heb ik totaal geen verstand van kunst maar wat Paul maakt vind ik werkelijk schitterend. En helemaal wanneer hij over zijn kunstwerken begint te vertellen.

foto Prisca Sinay

Gaat het ene schilderij over een samurai die onverwachts een nachtje in een herberg moet doorbrengen terwijl daar ook twee schone deernen verblijven – Pauls ondeugende lachje spreekt boekdelen –  bij het volgende werk zitten we plots midden in Afrika .

foto Prisca Sinay

Heb ik aanvankelijk nog het idee dat de liefde in al haar facetten het hoofdthema is van het werk dat hij hier laat zien, naarmate de wereldreis waarop Paul me meeslepend vertellend meeneemt vordert merk ik dat ik me daarin vergis. Natuurlijk, de liefde is een belangrijk onderdeel in zijn schilderijen maar waar het hem werkelijk om gaat is het weergeven van de verschillende culturen en hoe die soms met elkaar verweven lijken.
‘Het gekke is dat, toen ik al deze panelen tegen elkaar legde, er opeens totaal onverwachts een geheel ontstond. De verschillende culturen bleken elkaar totaal niet te bijten, integendeel, ze versterkten elkaar,’ zegt hij, wijzend op een langgerekt werk.

foto Prisca Sinay

Ineens doen de beelden die hij zo prachtig uit zijn penseel en potlood tevoorschijn heeft getoverd me denken aan wat ik hier vandaag op straat heb gezien: de kleding, de manier van lopen, de opmaak, de kleuren, de herkenbaarheid is gewoon verbluffend. En het past inderdaad allemaal bij elkaar.
Paul is het vleesgeworden voorbeeld van cultuurkruisbestuiving.

foto Prisca Sinay

Als hij me aan het eind van de fascinerende rondreis door zijn werk ook nog tussen neus en lippen laat weten dat hij Joods bloed heeft, Rooms-katholiek is opgevoed en helemaal verzot is op Moorse architectuur is voor mij het plaatje helemaal rond.

foto Prisca Sinay

Pendel of niet, waar anders dan in Frigiliana zou deze kunstenaar op zijn plaats zijn?
Nergens toch?

Ik wandel terug naar het Festival dat zich al lang niet meer beperkt tot een katholiek-joods-moors kunst- en cultuurfeestje. De samenleving globaliseert en Tres Culturas eveneens. Naast het feit dat de programmering meer en meer gevuld wordt met

foto Prisca Sinay

Wereldmuziek – fusion op zijn Afrikaans om maar eens wat te noemen -en de kunstroute tijdens het festival  zonder moeite het etiket internationaal kan dragen, stromen busladingen Chinezen, robuuste Russen en aangeschoten noorderlingen door de straten van het dorp en zorgen  stalletjes geleid door hippies en straffe zakenlui ervoor dat zowel de overtuigde veganist als bloeddorstige carnivoor aan zijn of haar trekken komt.

Onderweg terug naar het feestgedruis duikt een mopperend omaatje, bij het zien van de langbenige vreemdeling die langsloopt, schielijk weg achter de veilige blinden van haar huisje en realiseer ik me ineens dat, ondanks dat velen hier nu goede zaken doen en het dorp er sinds de culturele invasie van galerietjes en buitenlanders alleen maar mooier en verzorgder op is geworden, er ook een keerzijde aan het succesverhaal van Frigiliana kleeft.
Alsof het zo moet zijn loop ik op dat moment tegen een minitheatertje aan waar iemand op zeer ludieke wijze à raison van 50 cent – 1 euro voor miljonairs – de passant laat weten dat het voor de oorspronkelijke bewoners niet allemaal zaligmakend is wat er op dit moment hier met Frigiliana gebeurt.

Even is mijn feestgevoel weg. Maar dan word ik door drie kwetterende dames overrompeld en klopt een van hen met haar stofdoek de sombermans uit me.

Via buikdanseressen en Marokkaanse straatmuzikanten bereik ik het hart van het feest weer.

Vier dagen culturele onderdompeling in Frigiliana is een heel bijzondere belevenis waar

jong en oud, alto en chic, feestbeest en bedaarde bejaarde, rijk en niet zo welvarend, Jood, Christen, Islamiet en wat dan ook, samen tijdens een feestje van kunst en cultuur geniet  en waar werelden samenkomen.

Nu dat laatste alleen nog exporteren, het liefst over de gehele wereld, zou Paul de Roos zeggen.

 

El Toko
Calle Rosarico la Juaquin 18
Frigiliana
www.eltoko.com
Geopend:
dinsdag tot en met vrijdag: 11:00 – 18:00
zaterdag: 11:00 – 15:00

Festival Tres Culturas Frigiliana
elk jaar in laatste week van augustus
www.festivalfrigiliana3culturas.com

Geplaatst in Blog | 3 Reacties

Verkiezingssstrijd

‘Kan dit wel, moet ik niet op netjes?’ Halverwege het dorp begint Renata haar blote knieën te betwijfelen.
Ik bespeur een naderende kledingcrisis (weer huiswaarts, eindeloos geëmmer voor de kledingkast terwijl de klok driftig verder tikt) en bezweer haar dat het echt helemaal goed zit. Maar eerlijk gezegd heb ik totaal geen idee wat wel en wat niet kan. Als man kom je een eind met een gestreken spijkerbroek zonder vlekken en een net hemd.
We gaan zo meteen naar een bijeenkomst van de PSOE, dat is zoiets als het Spaanse equivalent van de PvdA.
Toch heeft de reden van ons uitje niets met politiek te maken: we gaan om een goede Engelse vriendin te steunen die op de plaatsingslijst voor de komende gemeenteraadsverkiezingen staat en vanavond gepresenteerd wordt.
Want al ben je getrouwd met een Spanjaard, woon je twintig jaar in Spanje en heb je twee kinderen die helemaal Spaans zijn toch blijft ze een buitenlandse (la guiri que quieres is haar geuzennaam) en dan is het nog steeds best spannend tussen al die plaatselijke coryfeeën.
Als ik de eerste partijvlaggetjes en -affiches bij het dorp passeer bedenk ik dat de laatste keer dat ik bij een politieke bijeenkomst was meer dan vijftig jaar geleden moet zijn geweest. Toentertijd vond ik het apart dat de ene spreker Van der Lek en de andere Van der Spek heette, was ik het als hippie vanzelfsprekend eens met het gedachtegoed van de PSP, maar dat er die avond nergens iets van de op hun poster gesuggereerde koe en blote dame te zien was heeft mijn beeld van de politiek ook beïnvloedt: zelden worden verwachtingen  waar gemaakt. Ik heb er in ieder geval weinig vertrouwen in.

Ook vanavond is er geen sprake van enige blote dame, integendeel. De route naar de meeting wordt aangegeven door een stroom mensen die er paasbest, en dan de heel ingetogen variant, bijlopen: jasje, dasje, overhemd, en de dames in lange broeken of alles verhullende panty’s.
‘Stik, ik ben echt underdressed. We moeten terug naar huis,’ zegt Renata geschrokken.
Ik kijk op mijn mobiel. ‘Te laat, het is kwart over acht en om half negen begint het.’
Vijf minuten later blijkt gelukkig dat de paasbeste kledingcode voornamelijk voor de nieuwbakken politici en hun talrijke familieleden geldt, want zoals het een linkse partij betaamt zijn er voldoende arbeiders en hun familie aanwezig die weinig met tweedelig van doen hebben. Tevens ontwaar ik een aanzienlijk cohort buitenlanders in de zaal. Dat moet met de nominatie van onze vriendin van doen hebben.
Terwijl de voorste twee rijen stoelen worden ingenomen door mensen met een niet nader te duiden rol in het geheel, schuifelen we onzeker door om op de derde rij tussen de rode ballonnen plaatste nemen.
Prompt steekt er iets hards in mijn achterste en dan zie ik pas dat tussen elke derde stoel heel gemeen de steel van de partijvlag steekt, waarschijnlijk met de strategische boodschap: zwaaien of er zwaait wat.
Ervoor zorgend niemand een oog uit te steken pak ik het ding daarom maar snel op. Ondertussen veegt Renata heimelijk wat ballonnen van haar stoel, die onmiddellijk door rondrennende kinderen geconfisqueerd worden.
De muziek die voor de juiste sfeer moet zorgen, de een of andere patriottische deun die in het Noord-Korea van Kim-jong Un niet zou misstaan, staat nu zo hard dat een praatje met de buren onmogelijk is.
Zoals ik ergens natuurlijk wel had kunnen verwachten was de aankondiging dat het om half negen zou beginnen slechts een richtlijn. Maar iets na negenen gaat de muzikale beuk er nog eens goed in en begint het spektakel echt: zestien bijna allemaal jonge kandidaten worden een voor een aan ons voorgesteld.
Lofzangen, powerpoints, onontkoombare omhelzingen van partijgenoten en applaus, ontzettend veel applaus. Bij nummer elf heb ik geen handen meer over en bij de laatste vier doe ik dan ook maar net alsof.
Dit in tegenstelling tot de rest van de zaal, want die klapt zich wezenloos en het zijn tot mijn stomme verbazing met name de bejaarden en gepensioneerden die daarnaast ook nog eens met de klaargelegde vlaggen zwaaien alsof hun bestaan er vanaf hangt. Blijkbaar houdt politieke betrokkenheid in Spanje niet op na je werkzame leven.
Wanneer Rafa, de burgemeester, in het zonnetje wordt gezet gaan echt alle remmen los: de spreekstalmeesteres breekt welhaast in tranen uit, Mahleriaanse koren zwellen aan tot oorpijnsterkte en de zaal zweept zich verder op tot een staande ovatie.
Dan klinken er twee harde knallen achter elkaar en staat mijn hart even stil. Een bejaarde buurvrouw knikt naar de met ballonnen spelende kinderen achter me en schudt haar hoofd over mijn schrikachtigheid.
Ik zie inderdaad verder niemand die ook maar een krimp geeft en voel me even een paranoïde buitenlander met terroristenfobie.
De presentatie van de kandidaten is klaar, het is inmiddels kwart voor tien en mijn maag mengt zich luidruchtig in de een of andere overwinningsmars.
Ik wil net mijn biezen pakken wanneer een dame in knalsocialistischrood naar de spreekstoel beent.
Ze begint te praten, te praten en nog eens te praten, en zo fel dat het tettert in mijn oren.
We zijn plots kameraden of vrienden en vriendinnen en het PSEO hier en PSOE daar vliegt me om de oren; het lijkt wel of ik naar Andere Tijden zit te kijken.
Pas wanneer ze over haar vader vertelt, hoe hij in 1966 plechtig aan zijn dochters beloofde dat ze later in een vrij land zullen leven, begrijp ik ineens waarom: het Andere Tijden van ons is voor Spanje zo goed als recent! Hier heerste veertig jaar geleden nog een dictatuur waarbij mensen vermoord werden vanwege hun politieke opvattingen!
Het is minder dan twee weken na de Nederlandse Dodenherdenking, het Bevrijdingsfeest en ik heb weer een enorme hoeveelheid films en documentaires gezien over de bezetting, maar als vijf jaar in Nederland al zo zijn tol heeft geëist van een samenleving, hoe moet het dan zijn voor mensen die meer dan 35 jaar onder zware dictatuur geleefd hebben?
Op slag bekijk ik de oudjes met hun vlaggen, hun verbeten gezichten en hun niet te stoppen handgeklap heel anders. Deze mensen hebben enorm veel ellende meegemaakt en de PSOE was hun geloof in een betere toekomst.
Geduldig zit ik dan ook heel haar speech uit en zelfs als daarna een heer de plannen voor de toekomst van het dorp bekend maakt en daar meer dan ruim te tijd voor neemt verbijt ik mijn hongergevoel en luister ik aandachtig.
Gelukkig weet burgemeester Rafa het hierna kort te houden, want zowel mijn honger als de baldadigheid van de ballonkinderen viel niet veel langer in te tomen.
‘Zullen we kijken of we nog snel ergens een tapaatje kunnen krijgen?’ vraag ik Renata terwijl ik mijn mobieltje weer aanzet en tot mijn schrik zie dat het al elf uur is geweest.
Ze wijst naar achter in de zaal waar ineens een aantal mensen druk bezig zijn.
‘Volgens mij is dat niet nodig, er komt nog een feestje aan zo te zien.’
En inderdaad. Binnen tien minuten is de achterste helft van de zaal omgetoverd tot een eetzaal met tafels vol heerlijkheden, flessen fris op tafel en natuurlijk een biertap in het midden.
‘Vrijheid moet je vieren,’ zegt de oude vrouw naast me en heft haar goudblonde biertje.
Mijn maag is het daar volledig mee eens.

Dat vrijheid het ook waard is om voor te strijden ontdek ik een week later wanneer een mail van de concurrerende partij in mijn mailboxje valt.
‘Geloof hun beloftes niet!’, ‘Ze zijn een wolf in schaapskleren!’, ‘Wij zijn de enige partij die jouw problemen op kan lossen!’.
‘Het stierenvechtenseizoen is voorbij, de politieke arena is geopend,’ lacht Renata. ‘Het lijkt precies Nederland.’
Inderdaad. Al denk ik dat in de dorpen de waarde van vrijheid net even intenser beleefd wordt.

Geplaatst in Blog | Één reactie

Verkeersruzie

Onderweg naar ons huis in de campo sta ik weer vast in het verkeer.
Het gebeurt nu bijna dagelijks, altijd op hetzelfde punt, en er is geen doorkomen aan.
Als kippen zonder kop schieten mijn medeweggebruikers van links naar rechts en sommigen maken zelfs van de gelegenheid gebruik om uitgebreid bij te beppen.
Links word ik toegeblaft, maar dat negeer ik want ik versta er toch niets van.
Platteland of stad, het klem komen te zitten in het verkeer is iets wat je overal in Andalusië kan overkomen.In de steden heb je driedubbelparkeerders, foutparkeerders, bestelwagen op de stoepparkeerders, chauffeurs die overdwars stoppen om op een kaart te kijken of die zomaar de week doornemen met een tegenligger.
Een toeterende auto? Dat heeft zelden met een verkeerssituatie of irritatie te maken: in drie van de vier gevallen is het een bekende van de chauffeur.
Ik kijk naar de man die met wilde armgebaren vergeefs tracht de chaos voor me tot een geordend geheel om te toveren.
Me opwinden heeft geen zin, dus leun ik nog maar even achterover.

In Nederland denkt men er anders over.
Waren het tijdens de feestdagen de hinderlijk geplaatste bestelbusjes die de lijst van ‘grootste ergernissen’ aanvoerde, nog geen drie maanden later heeft ‘verkeersruzie’ alle potentie om tot het Nederlandse woord van 2019 te worden uitgeroepen.
Ruzies, ergernissen, korte lontjes, het journaal staat er bol van.
Het zijn niet de bijna tweeëneenhalf duizend kilometer, maar meer dit soort berichten waardoor ik me soms werelden van mijn geboorteland verwijderd voel.
Natuurlijk barst het in Zuid-Spanje ook van de idioten op de weg, lijken de verkeersregels vaak meer richtlijnen dan verplichtingen en weet je nooit wat je onderweg tegenkomt, maar voor oponthoud heeft men hier een uitstekend functionerende mañana-systeem ontwikkeld.
Alle tijden zijn bij benadering en afspraken dientengevolge ook: er kan namelijk van alles gebeuren onderweg.
Een weggeregende weg of werkzaamheden, de kater van de avond ervoor waardoor alles wat trager verloopt, dat praatje met een kennis dat iets langer duurt dan de bedoeling is of het telefoontje waardoor de agenda in de vergetelheid raakt, het is allemaal overmacht en kan nu eenmaal gebeuren.
Ik draai mijn raampje omlaag en maak een praatje met de herder.Hij wil zijn kudde wel in banen leiden, maar ondanks zijn verwoede pogingen en de hulp van drie honden willen de schapen nog steeds niet allemaal de goede kant uit.
Het maakt mij niet uit, antwoord ik schokschouderend.
Schaapjes tellen, daar word je zo lekker rustig van.

Geplaatst in Blog | 4 Reacties

Het Wilde Westen

Málaga en livemuziek ligt een beetje moeilijk. Kon je vijftien jaar geleden in talrijke bars, cafeetjes en andere gelegenheden wel een bandje of op zijn minst een versterkte gitarist aantreffen, sinds Málaga’s Ayuntamiento een bezem door haar voorheen tamelijk vieze stad gehaald heeft is livemuziek in het centrum flink aan banden gelegd.
Een beetje vreemd voor de bakerstad van de flamenco.
Maar gelukkig bestaat Málaga uit meer dan het casco viejo.
Uit het wilde westen bijvoorbeeld.
Aan de andere kant van de Guadalmedina – ‘gua’ is het Moorse woord voor rivier, maar al staat de rivier die Málaga doorsnijdt meestal voor het grootste gedeelte kurkdroog, je moet nog steeds een van de vele bruggen oversteken – begint het gebied waar leven in de brouwerij volop te ontdekken valt. En dus ook de vuige muziektenten waar het goed toeven is voor de levende muziekliefhebber.
Deze keer gaan we naar La Trinchera.

We hebben ons voorbereid op een avond alternatieve popmuziek met drie bandjes: Vufalo, Dreyma en Mucho.
Op YouTube klinkt Vufalo als lekkere foute disco en hakken de dames van Dreyma op keyboard en gitaar met bijzonder mooie stemmen.
Mucho is zo te horen iets te zoetgevooisd en te commercieel naar onze smaak, maar ach, voor € 14 entree ga je niet lopen muggenziften.
Ondanks dat we bijna een uur na het op de poster vermelde tijdstip en minstens een half uur nadat de eerste band had moeten beginnen aankomen zijn we zoals gewoonlijk toch weer te vroeg. Er gebeurt nog helemaal niks.
Maar gelukkig is de bar open.
Langzaam druppelt de zaal vol en ook nu weer verbaas ik me over de diversiteit van het publiek: van sjiek de friemel tot ruigpoot, van giebelmeisje tot filosofentype, het hele scala van 18 tot 68 🙂 vermengt zich zonder moeite met elkaar.
Mocht de muziek zo meteen tegenvallen dan valt er in elk geval genoeg te zien.

Vufalo begint te knallen en blijkt muzikaal een stuk steviger dan de verwachte discosound. Renata baalt een beetje omdat de jongens niet in hun van YouTube bekende zilveren leggings getooid zijn, maar fout en disco verveelt doorgaans snel en dat is iets waar we bij de catchy nummers die ze nu ten gehore brengen zeker geen last van hebben.
De band Dreyma blijkt volledig te bestaan uit slechts twee vrouwen: een gitaar met een lel van een effectenbak, en een keyboard, twee microfoons en een loopstation.
Het is mooie muziek, goede harmonische vocalen ook, maar na een tijdje begint het sferische en beperkte repertoire door het gebruik van loopstation en effecten me te vervelen.
Ik bestel een biertje aan de bar.
‘Lekkere muziek maken die meiden, hè?’ Naast me staat een met tattoos bedekte twintiger met grote gaten in de oorlellen en een baard waar een jihadi jaloers op zou zijn. Oftewel de laatste persoon van wie ik verwacht zou hebben dat hij de dromerige muziek van Dreyma zou kunnen waarderen.
Wanneer de laatste tonen van de dames wegsterven lijkt het er zowaar op dat de stoere kerel een traantje wegpinkt.
Zijn naam is Juan en we raken in een geanimeerd gesprek gewikkeld. Als ras-Malagueño kent hij zo’n beetje alle muziektenten van de stad en geeft me enkele gouden tips. En een nieuw biertje.
Ooit zelf in een band spelen blijkt zijn grote droom. Alleen heeft hij één grote handicap. Nou ja, eigenlijk twee: hij kan niet zingen én hij kan niets spelen.
‘Maar, ‘lacht hij, ‘wat niet is kan nog komen. Gitaar en toetsen heb ik al geprobeerd, nu ga ik een ander instrument zoeken.’
Mucho start, en tot mijn  verbazing maken ze toch leuke muziek. Veel elektronica, effecten en synthesizers, maar met een drummer die er stevig tegenaan gaat. Blijkbaar zijn ze hier ook aardig bekend want hoewel ze alleen maar eigen nummers spelen wordt er behoorlijk meegezongen en gedanst.
Wanneer we aan het eind van de avond moe maar voldaan La Trinchera verlaten kijk ik rond of ik Juan nog ergens zie om hem gedag te zeggen, maar hij is in geen velden of wegen te bekennen.
Nou ja, hij is een echte muziekliefhebber dus ik kom hem vast nog wel eens ergens tegen.

De volgende dag besluiten we een spijker-in-het-hoofd-oplossende wandeling door de stad te maken.
In de straatjes aan de voet van het seminarie ontdekken we allerlei nieuwe winkeltjes en restaurantjes die ik een van de volgende keren graag nader wil bekijken.
Als we weer richting centrum afbuigen verzeilen we in een straatje waar het een jeugdige drukte van belang is. Aanvankelijk is het me niet duidelijk wat ze doen, maar als ik dichterbij kom zie ik dat ze zilver aan het poetsen zijn. Met borstels en lappen worden er onderdelen van een Trono, een praalwagen die straks tijdens de Semana Santa rondgedragen zal worden, van hun aanslag ontdaan.
Ik neem een foto en word opgeschrikt door het geluid als van een bel vlak bij mijn oor.
‘Misschien moet ik hier maar op gaan spelen.’
Het contrast tussen de tattoos, de doorboorde oren, de baard en het ornament en het blikje zilverpoets in zijn handen zorgt ervoor dat het even duurt voordat ik mijn kersverse vriend Juan herken.
Weer tikt Juan tegen het ornament en het klinkt als een klok.
Hij grijnst. ‘Wel even wat anders dan La Trinchera, niet?’
Ik schiet in de lach. ‘Nou, het geluid van een Trono zou misschien helemaal niet in een band misstaan. En het is zeker weten weer even wat anders.’

La Trinchera
Calle Parauta 25
29006 Málaga
tel: 619.494.993

 

Programma en kaartjes, klik hier

Geplaatst in Blog | 4 Reacties

Een saaie maandagavond

Gewoontegetrouw zijn op de maandagavonden de straten in Málaga uitgestorven. Driekwart van de kroegen en restaurants houdt dan namelijk de deuren gesloten, omdat het leeuwendeel aan klanten en portemonnees toch herstellende is van het weekend.
Kortom: voor bruisend avondvertier is maandag beslist niet de aangewezen dag.
Maar wat als je net die dag iets te vieren hebt, lekker uit eten wil en geen dag langer kan wachten?
Aldus neem ik op deze doodgewone, oersaaie maandagavond mijn gade op sleeptouw naar Aborigen, een restaurantje dat me een paar dagen eerder opviel door een op aboriginal-kunst geïnspireerd schilderij en een paar nog meer inspirerende hapjestitels die buiten op een schoolbord gekalkt stonden.Ook in de gewoonlijk met avondleven gevulde Calle Beatas is het koud en verlaten, maar eenmaal in het restaurantje is alles warm en hartelijk en de oplaaiende vlammen uit de open keuken doen me al snel vergeten dat het een rillerige februariavond is.
Nippend van een niet verkeerd glaasje rode huiswijn bestudeer ik met frisse moed de kaart en kom na tien minuten tot de conclusie dat ik niet kan kiezen!
Vlees, vis en vegetarisch, salades, ceviches, quesedillas, nachos en burgers, en dat allemaal in bijzondere combinaties en met uitzonderlijke ingrediënten, het liefst neem ik alles.
Een blik naar José, een kort overleg met de keuken en we spreken af ons hapjesgewijs een eind door de kaart heen te gaan proeven. Meteen gaat onze gastheer in de startblokken, port de kok de vlammen nog wat hoger op en begint de hulp er lustig op los te hakken.
Saaie, stille maandagavonden hebben ook zo hun voordelen.
Om het gastronomische geheel te completeren besluiten we tevens ons wijntje op te waarderen naar een wat dubbeltjes duurdere soort. Proost.
Het gebakken broodje met fijn gekruide zeevruchten is zeer verrassend en de medaillons van palmharten op guacamole met half gepofte maiskorrels daarna ook.
Ik zit nog na te genieten met mijn wijntje als er opeens een forse man met baard en een jurk voorbij het raam drentelt.
‘Moet je daar kijken!’ Ik wijs naar buiten.
José draait zich om, maar de man-met-jurk is al weg.
Verbijsterd staar ik in mijn halflege glas heerlijke Ribera: zie ik ze nu al vliegen?
Ik schud de gedachte van me af en bestudeer de kaart nog maar eens.
Nachos met vis, geen idee wat ik me daarbij moet voorstellen.
Tot ik de eerste hap proef.
Vergeet nachos met een sausje, kaas, tomatenprut of desnoods gehakt: nachos met op het vel gebakken dorade, tomatenblokjes en verse kruiden zijn niet te evenaren; en helemaal niet als je eronder op een romige laagje kaas, prei en nog meer heerlijks stuit.Terwijl ik weer een kleine pauze neem om van deze smaakexplosie te bekomen struikelt er een kale man in een paars-met-groen-ruitenpak binnen, een rolkoffer achter zich aanslepend.
Nog niet bekomen van deze verrassing hoor ik op staat rumoer. Als ik naar buiten kijk zie ik dat de tegenoverliggende kroeg vanuit het niets plots hele horden paars-met-groengeruite, schaarsharige mannen uitbraakt.Mannen die een tel later getooid zijn met kontlange dreads en stuk voor stuk met rolkoffers slepen, botsen en rollen.
Wat is dit nu weer?
Ineens gaat er me een licht op: volgende week is het carnaval. Is dit misschien een van de zanggroepen en gaan ze dit jaar het rolkoffertoerisme op de hak nemen?
Daar wil ik het mijne van weten.
Dus stuur ik José op onderzoek uit en neem zelf eerst nog een slokje wijn. Dan gaat mijn Spaans namelijk wat vloeibaarder.

Het blijkt inderdaad een van de carnavalszanggroepen, de comparsa “El Pasaje de los Milagros”.
En ze gaan geen spotlied over het door rolkoffertjes geteisterde Málaga zingen. Ze gebruiken die gewoon om hun dagelijkse kloffie in mee te slepen, hun comparsa komt namelijk niet uit de stad maar uit Arroyo de la Miel.
Zware onderwerpen als rolfkoffertoerisme bezingt deze groep sowieso niet in haar liedjes, krijgen we te horen. Wat hen betreft moet carnaval vooral leuk blijven. Een steek hier, een plaagstoot daar, vanzelfsprekend zal de burgemeester weer op de hak worden genomen, maar mensen aan het lachen maken staat bij hen voorop.
‘We noemen ons niet voor niets de passage van wonderen.’Weer aan tafel waar een nieuw glas wijn en een volgende, dampende, verrassing op ons ligt te wachten zien we door het raam hoe de geruite mannen een hoge hoed opzetten en omgeven door vrouwen, kinderen, opa’s, oma’s, buren, muziekinstrumenten onder het geratel van tientallen koffers in een grote stroom richting Teatro Echegaray vertrekken om het daar in een van de voorrondes tegen andere comparsas op te nemen.
Terwijl de heerlijke smaken van wijn en spijs door mijn keel glijden bedenk ik: zelfs een saaie maandagavond in Málaga kan zomaar heel bijzonder worden.

Aborigen
Calle Beatas 8
29008 Málaga

tel: +34.673.867.214
geopend: donderdag tot en met maandag 13.00 – 23.00

Geplaatst in Blog | 10 Reacties

Het grootste kinderfeest van het jaar

Voor sommige blogs heb je geen woorden nodig.
Dan spreken de foto’s voor zich.
Zoals bij de Cabalgata op 5 januari, de intocht van de Drie Koningen in Málaga, het grootste kinderfeest van het jaar.
15.000 kilo caramelos werden er door de kinderen op de praalwagens uitgedeeld.
Dit jaar glutenvrij, dat wel.

Geplaatst in Blog | 2 Reacties

Trammelant in El Torcal

In het schemerduister El Torcal binnenrijden is een surrealistische ervaring. De door de goden of de tand des tijds neergesmeten stenen zuilen lijken te ademen in een spel van schaduw en gezichtsbedrog.Net een decor van een science-fiction film, denk ik, en ik wacht op de bak licht van het ruimteschip boven mijn hoofd.
Dan springt er in het licht van de koplampen een vos op en besef ik dat ik nog steeds op aarde ben.
Op steenworp afstand van het toeristengewoel in Málaga om precies te zijn.
Niet ver van het pad parkeert José de auto en pak ik de tas van de achterbank. Het plan is na de wandeling op de uitkijkpost waar je de gieren spectaculair kunt zien uitzwermen een ontbijtje te doen.
Zachtjes stappen we uit en gaan op onze tenen sluipend op weg; in deze onaardse rust lijkt ieder menselijk geluid een soort heiligschennis.
Het dichtgooien van autoportieren een paar tellen later bezorgt me dan ook bijna een rolberoerte.
Harde stemmen doorbreken de stilte. Een man en vrouw van middelbare leeftijd komen dichterbij, allebei onmiskenbaar met het verkeerde been uit bed gestapt, en allebei volledig in beslag genomen door wat ze met elkaar te bespreken hebben.
We versnellen onze pas om ze voor te blijven.
Op eerdere tochten hebben we ontdekt dat de berggeiten zich tegen de klok in bewegen, dus lopen we in plaats van naar de ingang naar de uitgang van het wandelpad. Op deze manier hebben we de grootste kans de dieren tegen het lijf te lopen en waarschijnlijk schudden we zo ook het luidruchtige stel van ons af.
Tevergeefs, al ruziënd blijven de twee in ons kielzog hangen.
‘Waar hebben ze het eigenlijk over?’ vraag ik. Andalu en rappe tongval zijn niet mijn sterkste punten.
‘De arme kerel heeft blijkbaar te veel aandacht besteedt aan een andere dame. Een jongere, zo te horen. Ze scheldt hem in ieder geval uit voor “ouwe viezerik” en dat het meisje “zijn dochter kon zijn”. De rest kan ik niet zo volgen, maar het zal wel van eenzelfde strekking zijn.’
Een luide vloek en we kijken achterom. De man heeft een uitglijder gemaakt en is op zijn gat terechtgekomen.
Even is er een adempauze en is het stil. Dan ratelt de vrouw onverstoorbaar verder.
José kijkt me aan.
‘Zeg, gaan we deze ruzie de hele tocht meebeleven of zullen we de goede mensen even laten passeren?’
Dat laatste vind ik een uitstekend idee.
Verderop het veld in zie ik een paar verdwaalde rotsblokken.
‘Kijk, een ontbijtplek,’ wijs ik en ik stap van het pad af. ‘Als we daar een tijdje bivakkeren kunnen de dieren ondertussen een beetje bekomen van al dat lawaai. Misschien zien we er dan toch nog een paar.’
Krakende takken, vallende stenen, het heeft nog steeds iets van een woeste olifant die door het gebladerte komt zetten, maar het gekijf daalt tenminste even tot fluisterniveau als de mensen ons op een tiental meters passeren.
Ons vriendelijk bedoelde buenos dias wordt met een vinnig hoofdknikje beantwoord. Daarna verdwijnen ze om de hoek van een heuveltje.
Nog minutenlang valt hun positie te bepalen door opvliegende vogels en het gemopper wat door de rotsen trekt. In gedachten zie ik berggeiten, everzwijnen, konijnen en vossen het hazenpad kiezen bij de komst van het twistzieke duo.
Ik schud mijn hoofd.
‘Wat zoek je in hemelsnaam in El Torcal als je mot met elkaar hebt?’
‘Nou ja, je weet hoe gehorig het in de stad is. Of misschien kregen ze onderweg pas ruzie, slecht geslapen… een overdreven geval van ochtendhumeur…’ José kijkt om zich heen. ‘Het is hier overigens wel een perfecte locatie om van je vrouw af te komen. Een klein ongelukje en het is gepiept.’
Mannen, ze blijven altijd zo verrekte praktisch. Toch bezorgt het idee me de kriebels en neem ik me voor om straks goed buiten de gebaande paden te kijken of die vrouw van daarnet niet ergens ligt te zieltogen.
Ik neem een slok bittere koffie om het beeld van mijn netvlies te jagen.De rust is ondertussen weergekeerd en tot mijn stomme verbazing zie ik een eerste berggeit schoorvoetend opdagen. En nog een, en nog een, tot een hele kudde de rotswand voor ons vult.Ze zijn waarschijnlijk zo geschrokken van het eerdere kabaal dat onze aanwezigheid hen totaal niet lijkt op te vallen. In ieder geval zien de verkenners er geen been in dat de jonge geitjes argeloos en onbezonnen de meest uitgelaten capriolen vertonen. Terwijl hun kroost aan het spelen is knabbelen moedergeiten en ouwe bokken doodgemoedereerd van het struikgewas.
Wanneer de laatste blaadjes zijn verorberd, klimt en klautert de kudde verder en besluiten wij ook weer op pad te gaan.
Zo geruisloos mogelijk prop ik de etensresten en thermosfles terug in de rugzak in de hoop onderweg nog meer wilde dieren tegen te komen. Al is die kans niet zo groot, de eerste zonnestralen vallen inmiddels in het dal.
En inderdaad, naast een paar laagvliegende roofvogels en een groepje geschrokken distelvinken zal ik het vandaag zonder genetkat, das of ander wild moeten doen.
En hopelijk ook zonder ‘verongelukte’ partners: onbewust scannen mijn ogen onderweg de greppels en geulen af en ontleden iedere ongerijmdheid  tot ik hem terug kan voeren tot rotsblok of boomstam. Daarnaast speur ik de hemel af naar cirkelende gieren (een overdaad aan westerns in mijn jonge jaren, ik weet het).
Pas wanneer ik het eind van het pad in de verte zie opdoemen ben ik overtuigd dat beide echtelieden hun ochtendwandeling zonder kleerscheuren zijn doorgekomen.
Wanneer ik de ingang uitstap draai ik me om en schrik.
‘Hij is er nog! Hoe kan dit nou?’
Voor de ingang van het wandelpad leunt de verschrompelde gedaante van een hele oude bok, bewegingloos als het rotsblok onder hem. Zeven jaar geleden stond ie daar ook en dacht ik dat het een standbeeld was, of een opgezette gems; tot er na tien minuten een minuscule rimpeling over de snuit trok.Ik ben verbijsterd! Hoe kan een beest al die jaren op dezelfde plek blijven staan? Zijn er parkwachters die het beest iedere ochtend in alle vroegte op deze rots hijsen?
‘Dit kan toch niet hetzelfde dier zijn? Zeven jaar terug was hij al stokoud. Hoe oud worden berggeiten eigenlijk?’
José schiet in de lach. ‘Tja, je weet nu hoe het zit met oude bokken: zolang je ze af en toe  een jong blaadje voert…’

Geplaatst in Blog | 6 Reacties

Sinterklaas

Ik had voor de terugweg naar Spanje beter bij Sinterklaas op zijn stoomboot kunnen aanmonsteren, bedenk ik me wanneer ik de zoveelste vruchteloze poging onderneem om mijn lange benen ergens tussen mijn stoel en die van mijn voorbuurman te proppen. Waarschijnlijk politiek incorrect met al dat gedonder rond Piet, maar beslist aangenamer dan bijna drie uur opgevouwen in een vliegtuig doorbrengen.
Ik ga diagonaal zitten met mijn benen richting gangpad. Dat is een stuk beter maar bij iedere voorbij schuifelende medepassagier ben ik wel gedwongen mijn knieën zo’n beetje tegen de borst te vouwen.
‘Mag ik er even langs? Ik zit op stoel A, bij het raam.’
Een kolossale man wurmt zich met moeite tussen de stoelen door en weet zich met zijn zitvlak nog net op anderhalve stoel te nestelen.
Ben ik even blij dat er nog een stoel tussen ons in zit.
De vrouw die achter hem bijna in slaap is gevallen kijkt verschrikt op als de rugleuning voor haar ineens minstens 10 centimeter dichterbij komt.
Kreunend en steunend probeert de man zijn rugzak op zijn schoot te proppen.
‘U kunt die k daar nog kwijt, hoor,’ wijs ik naar het bagagerek.
‘Nee, nee, die heb ik onderweg nodig, die hou ik vast.’
‘¿Disculpe, puedo pasar?
Door alle commotie heb ik niet in de gaten dat er een slanke, chique geklede dame van onbestemde leeftijd naast me is komen staan.
Natuurlijk mag ze er langs.
Verbaasd kijk ik toe hoe ze moeiteloos op haar gehalveerde plaats glijdt.
Als ik zelf ook weer zit krijg ik een vriendelijk knikje waarna ze een dikke pil uit haar tas haalt, een bril opzet en begint te lezen.
Met een slinks oog probeer ik erachter te komen wát ze aan het lezen is. Zo te zien is het iets geschiedkundig, maar de letters dansen over mijn netvlies. Dus leun ik maar achterover en probeer wat te slapen.
Mijn gedachten fladderen weg en net op het moment dat ik helemaal wegzak klinkt er een gekraak en geknars van jewelste.
Als ik mijn ogen open doe en mijn hoofd richting het geluid draai zie ik hoe de man aan het raam een handvol pepernoten uit de rugzak schept, die in zijn mond propt en ze ritmisch en constant aan gruzelementen maalt.
Als het kraken ophoudt slikt hij alles met een pijnlijk gezicht door. Vervolgens verdwijnt zijn hand weer in zijn rugzak en begint alles weer van voor af aan.
Omdat mijn buurvrouw verbijsterd oogt wil ik het oer-Nederlandse snoepfenomeen aan haar uitleggen maar realiseer me ineens dat ik geen idee heb hoe pepernoten in het Spaans heten. Dus kom ik niet verder dan: ‘Pepernoten, San Nicolás.’
Si, si, peppernoten ¿Hablas español?’
Peppernoten? Zei ze dat nou echt?
Even helemaal confuus kan ik alleen maar knikken op haar vraag.
Que bien,’ lacht ze, ‘ik was bij de intocht van Sint-Nicolaas in Scheveningen. Op bezoek bij mijn nietas in Den Haag. Ik weet nu álles van peppernoten!’
Voor ik het weet zitten we kleindochterfoto’s met elkaar te vergelijken.
‘Toch wel een heel aparte traditie van jullie Nederlanders,’ vervolgt ze nadat we onze mobieltjes weer hebben opgeborgen. ‘Komt er per schip een man aan, gekleed in een rood gewaad met een mijter op zijn hoofd en een staf in zijn hand, en zeggen jullie dat het Sint-Nicolaas uit Spánje is!’
Haar perfect rood gestifte lippen krijgen een vermakelijke grijns. ‘Maar Sint-Nicolaas is nooit in Spanje geweest, die kwam uit Myra, en dat lag in Turkije, ik ben daar geweest. En die kleren… de man leefde in de 4e eeuw na Christus dus die heeft er echt niet bijgelopen als een bisschop van 1000 jaar later.’
De historische dikke pil op haar schoot indachtig geloof ik haar op haar prachtige bruine ogen.
‘En dan die zwarte pieten, waar in Nederland zoveel over te doen is. Zoals ze erbij lopen! Die muts, die kraag, dat hesje en die pofbroek, precies een Spaans tafereel uit de 16e eeuw. U moet het schilderij waarop de hertog van Alva met zijn mannen staat afgebeeld maar eens bekijken, dan weet u precies wat ik bedoel. Trouwens, die mannen van Alva werden vroeger als boeman voor stoute kinderen gebruikt en nu zijn het degene die peppernoten uitdelen. En cadeautjes natuurlijk! Jullie Nederlanders hebben van het Sint-Nicolaasfeest een aardig historisch rommeltje gemaakt.’
Haar lach overstemt met gemak het geluid van onze krakende buurman.
‘Trouwens, ook geografisch is het heel grappig. Op het schip stond met grote letters “MADRID”. Weet u hoe je van Madrid, dat midden in Spanje ligt en geen haven heeft, met een boot naar Scheveningen kan komen? Nou, ik niet. Maar dat heb ik maar niet tegen mijn kleindochters gezegd.’‘Ach,’ antwoord ik, ‘dat maakt voor kinderen helemaal niets uit. Als ze maar cadeautjes krijgen, dat is het belangrijkste.’
Ze knikt. ‘Daar heeft u gelijk in. De meisjes vonden het allemaal prachtig.’
‘U heeft geen zoons?’
‘Nee, ik heb twee dochters. En mijn drie kleindochters natuurlijk. We hebben echt een vrouwenfamilie; tenminste, nu nog wel. Mijn jongste dochter verwacht een zoontje. En u gelooft nooit hoe ze hem gaan noemen.’
¿Por que?
‘Mijn dochter is helemaal gek van de boeken van René Goscinny en dan vooral van het boek over dat stoute jongetje.’
 
‘U bedoelt Le Petit Nicolas?’
‘Ja, dat boek. En zo gaat hij ook heten: Nicolas. Dat wordt nog wat bij de intocht van Sinterklaas volgend jaar!’

Geplaatst in Blog | 9 Reacties

De huppelclub

Ik ben getrouwd met een schrijver op een berg, een het liefst blootlopende schrijver (blootlopen schijnt namelijk inspiratie bevorderend te zijn).
Ook een die soms zijn schrijversisolement (en zijn blootlopen) doorbreekt om gasten mee te laten genieten van de natuur, de rust, de ruimte en zijn kookkunsten.
En een die het niet erg vindt dat zijn gade wekelijks met muziekvrienden de berg doet schudden.
Af en toe passeert er op de berg een herder met zijn geiten, een streekgenoot op aspergejacht of een van de wandelroute gedwaalde toerist en voor die gevallen heeft mijn blootloper het gemak van de sarong ontdekt. Maar verder is er weinig dat dit idyllische plaatje doorbreekt.
Tot op een zonnige herfstdag.

De eerste barst in het plaatje rolt op zondagmiddag ons erf op, onder de ketting door. Het is een man op leeftijd, alle-kanten-op-piekend haar, een sportbroekje tot ver in de bilnaad  en de verdwaasde blik van iemand die het padje kwijt is.
Nog voor ik hem kan vragen wat hij in onze tuin doet duiken twee in Neon Spandex geperste veertigplussers eveneens onder de ketting door, nemen hem al keuvelend mee in hun slipstream en volgen de zwaartekracht dwars door onze olijfboomgaard.
Een paar minuten later stevent een groep bejaarde vriendinnen met Nordic Sticks achter de opvallende kleuren aan en besluit een roedeltje zich van de wandelaars losgemaakte honden onze zwerfkat Fritz op de patio de stuipen op het lijf te jagen.

 

Holler!’ wordt er geroepen. Tenminste, zo klinkt het. Als een kilometerslange kreet wordt het doorgegeven.
Terwijl ik de honden bij de kat wegjaag en een volgende kudde blindelings achter elkaar aan huppelende snelwandelaars, joggers en slenteraars  achter de ketting  probeer te houden realiseer ik me pas wat er gebeurt.
Het gaat hier niet over een paar champignonzoekers, wat wandelaars die te ver off-track zijn geraakt of verdwaalde reizigers: ik tel tientallen, wat? misschien wel honderd mensen die zich in een lint van meer dan een half uur door onze vallei begeven.
‘Help,’ roep ik naar José die binnen snel een broek aan het aantrekken is, ‘een invasie van de huppelclub!’
Toekomstvisioenen van Roparun-achtige toestanden, kleurkanonnen en alles vertrappende, vogels en wild verjagende hordes bewegingsmaniakken duiken op in mijn geest.
Is dit het begin van het einde van onze rust en ruimte?

De campo waar wij wonen bestaat uit een aaneenschakeling van stukken grond waartussen je zelden hekken tegenkomt. De spaarzame afrasteringen zijn er meestal om vee of huisdieren binnen de perken te houden of duiden op een zeldzame enkeling die zijn bezit met paal en perk wil verduidelijken.
De stukken grond worden van oudsher van elkaar gescheiden door een linde, een natuurlijke overgang in het terrein die aangeeft waar jouw land ophoudt en dat van de buurman begint.
Voor de rest zorgen een beetje fatsoen, beleefdheid, respect voor de omgeving, Andalusische verdraagzaamheid en spieken bij de buren ervoor dat we al jaren genieten van de rust en ruimte.
Maar wat te doen als je tuin een favoriet huppeltraject dreigt te worden?
De officiële regels er maar eens op nagelezen.

Wanneer mag je niet over iemands land:
1. als er een huis op staat (en je kunt dit duidelijk zien)
2. als het land gecultiveerd/bewerkt is, bijvoorbeeld een (moes)tuin of een (olijf)boomgaard
3. als er een hek omheen staat.

Wanneer mag je iemands grondstuk níet betreden, dus ook niet via een oprit of toegangsweg:
1. als de weg of oprit is afgesloten met een ketting, hek, poort of anderszins.

Wanneer mag je wel over iemands land:
1. als de officiële weg erdoorheen loopt. Onder officiële weg vallen ook aangegeven wandelroutes, b-wegen, zandwegen en de zogenaamde caminos reales, de wegen die vroeger alleen voor de koning waren bedoeld
2. als het land niet gecultiveerd/bewerkt is maar puur natuur
3. als je toestemming hebt van de eigenaar.

Opgelucht haal ik adem. De kans dat onze olijfboomgaard voor een officiële trail run gebruikt mag gaan worden is dus nul.
Maar hoe houd ik die enorme hoeveelheid renners cq. (snel)wandelaars een volgende keer tegen?

‘… ze bleven maar komen, tilden gewoon de ketting op, kropen eronderdoor en deden alsof ze me niet zagen,’ vertel ik mijn Engels/Spaanse buurvrouw Chloë. ‘Zo’n horde bergafwaartse mensen valt niet te stoppen! Nog een geluk dat José snel een broek aan kon trekken.’
‘Het waren Engelsen, toch?’ vraagt Chloë.
‘Ik denk het wel… ik heb in elk geval heel wat Engels gehoord.’
‘Nou, dan is de oplossing toch simpel: zorg de volgende keer dat José geen broek aantrekt. Zijn ze zo weg!’

Geplaatst in Blog | 17 Reacties