Alleen maar lieve mensen

Sinds jaar en dag mijden we restaurants waar men je al op straat probeert te ronselen.
Maar vandaag brengen een knagend hongergevoel en een wervende jongeman van de aller beminnelijkste soort ons aan het twijfelen en doet zijn hoopvolle blik ons uiteindelijk toch over de drempel stappen.
Neto, de dolenthousiaste werver/eigenaar?/jonge hond, troont ons mee naar een eersterangs tafeltje tegenover een Japanse gitarist die klassiekers zit te spelen.
Helaas bungelen daar mijn benen tien centimeter boven de grond en verkassen we naar twee rustieke fauteuils om de hoek; via de spiegel kunnen we de gitarist net nog zien.
Buiten ons zijn er twee jonge Amerikanen en een Japanse hippie die een immens bord eten naar binnen werkt en vermoedelijk bij de gitarist hoort, want aan het eind van elk nummer onderbreekt hij zijn schranspartij en applaudisseert uitbundig.
Moeders de vrouw komt de keuken uit, omhelst ons hartelijk en racet weer terug. Het maakt niet uit, Neto’s aanwezigheid telt voor twee.
Binnen geen tijd weten we dat: zijn vrouw een rasechte Malagueña is, de mensen hier vriendelijker zijn dan waar hij vandaan komt, hij weinig van wijnen weet maar ons wel het flesje kan aanraden dat hijzelf regelmatig door zijn keelgat giet, hij antropologie heeft gestudeerd, het leven in Málaga voor gewone mensen onbetaalbaar wordt…
José stopt zijn spraakwaterval. ‘Ik wil de vis- en schelpdierensoep wel.’
Ik herinner me mijn honger. ‘Voor mij ook, graag!’
Neto grijnst van oor tot oor en schiet de keuken in.
‘Het is hier wel erg stil, hé? Ik hoop maar dat het eten lekker is.’
‘Ach, het is nog vroeg voor Spaanse begrippen’ Onverstoorbaar knabbelt José van het brood.
‘Ja, maar toch… live muziek… je zou verwachten dat…’
Twee naar koriander geurende borden boordevol vis en schelpdieren onderbreken mijn twijfels.
Bij de eerste hap weet ik het: dit is een vissoep waar ze me wakker voor mogen maken.
Opeens snijdt een kattengejammer vanuit het niets door de kleine ruimte.
Ik krimp ineen en José laat van schrik zijn lepel vallen.
Het duurt even voor ik besef wat er aan de hand is. Maar dan proest ik het uit.
‘Nou weten we gelijk waarom Japanners en karaoke altijd zo op lachspieren werken,’ hik ik. ‘En waarom het hier zo stil is.’
Onze Japanse gitarist verlevendigt zijn spel nu namelijk met zijn stembanden.
Niet eerder heb ik iemand zo overtuigd vals horen zingen.
Ik dank mijn korte benen dat we niet meer vlak voor hem zitten.
‘Kan iemand hem alsjeblieft vragen op te houden,’ kreunt José.
Ik kijk om me heen.
De Amerikaanse jongens hebben zich, plots geboeid door hun papieren servetten, teruggetrokken in hun strategisch gekozen hoekje, de Japanse hippie steekt na elke twee happen beide duimen omhoog, Neto heeft opeens het werk op straat hervat en zijn vrouw die op het eersterangs plekje is gaan zitten lacht de artiest, haar ogen af en toe pijnlijk samenknijpend, bemoedigend toe.
Passanten die nieuwsgierig stoppen kiezen het hazenpad als de zang weer uithaalt.
Ik schud mijn hoofd. ‘Neto en zijn vrouw zijn te aardig om er iets van te zeggen.
Zelfs al kost het klanten…’
Op dat moment zie ik het mandje met geld aan de voeten van de muzikant; en dat hij twee verschillende schoenen draagt.
Als zijn hongerige kameraad ook een gitaar pakt en geluidloos begint mee te spelen ontdek ik onder diens snor en baard ingevallen wangen.
Twee aan lager wal geraakte gitaarstudenten, ver van huis en familie, en twee zachtaardige en vriendelijke restauranthouders die hen onmogelijk kunnen weigeren wat eten en leeftocht bij elkaar te spelen zelfs als dat een lege toko betekent, het verhaal begint zich in mijn hoofd te vormen.
Wanneer we de laatste korrels rijst van ons bord vegen komen twee vrienden van Neto binnen. Ze babbelen wat, vragen om een fles wijn en vier glazen en halen de muzikanten daarna over om een pauze te nemen op het terras.
En dan geschiedt het wonder: de een na de andere klant stapt binnen en in een mum van tijd zijn alle tafeltjes bezet.
Ik kijk naar buiten en zie dat de Japanners absoluut nog niet aan hun volgend setje toe zijn: fles één heeft al plaats gemaakt voor nummer twee, het gesprek gaat zichtbaar over pluimen en muziek en voor het eerst zie ik onze gitarist een hapje eten.
Wanneer we het restaurantje verlaten en het groepje kersverse vrienden passeren stralen de muzikanten als gefêteerde popsterren door zoveel aandacht.
‘Dat is ook een manier,’ merkt José op. ‘Niemand gekwetst en de toko heeft toch een goede avond.’
‘Ja, wat een lieve mensen, hé? Maar ze zullen voorlopig wel geen wildvreemde muzikanten meer laten spelen.’

Wildvreemden niet, nee, als we de volgende dag weer langs lopen horen we onze Japanse Jut en Jul met hernieuwde energie de tweede helft voortzetten.
En het gekke is: van heinde en ver lijkt men op het exotische fenomeen af te zijn gekomen, de tent zit tot de nok toe vol.
‘Hoe zat het ook alweer met die zachtmoedigen die de aarde beërven?’ grinnikt José.
Een beetje vriendelijkheid legt duidelijk geen windeieren.

Wilt u de audio-ervaring van deze belevenis?

Dit bericht is geplaatst in Blog. Bookmark de permalink.

11 reacties op Alleen maar lieve mensen

  1. Hans schreef:

    nou ben ik heel benieuwd welk restaurant dat is 🙂 (bestand kan ik niet openen)

  2. Maike schreef:

    Hahahahaha – prachtig en .. ik wenste dat ik het bestand ook niet had kunnen openen 😉

  3. Ineke van de Ven schreef:

    geweldig verhaal…. lief en warm de ervaring x
    Het audio gedeelte is een ander verhaal 🙂

  4. Niels schreef:

    Leuk stuk! de tekst dan 😉

  5. Robert Strengers schreef:

    eerst maar eens die gitaren stemmen, dat zou al een hoop schelen!

  6. Renata schreef:

    Je moet roeien met de snaren die je hebt 😉

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *