VADERS

‘Pa, wat doe je?’
Zoon Jesse schiet richting voorruit wanneer ik vol op de rem ga staan. Hij logeert al een paar weken bij me op de berg om rustig aan zijn eerste kinderboek over Tobi de waterbeer te kunnen werken.
‘Zag je die man daarnet dan niet?’ vraag ik, ‘aan de linkerkant van de weg?’
‘Welke man?’
‘Kijk maar achter je. Die daar met zijn stok komt aangestiefeld. Hij wil een lift.’
Snel draai ik mijn raampje open en gebaar naar het mannetje dat hij het kalm aan kan doen. Stel je voor dat hij halverwege het loodje legt; ik ben te laat gestopt en hij moet nog zeker honderd meter overbruggen.
Dat krijg je wanneer je in een vader-zoongesprek verwikkeld zit en geen haar op je hoofd eraan denkt bejaarde lifters langs de kant van de weg te laten staan.

Sinds ik in de Axarquia woon heb ik iets met de krasse oude mannen die gebaren dat ze een lift willen hebben. Net als de kuddes schapen en geiten passen ze hier in het plaatje, lijken onderdeel uit te maken van de natuur.
En daarnaast zitten ze vol verhalen.
Al zit er soms een luchtje aan.
Zoals bij mijn allereerste lifter. Toen deze met een opgeluchte grijns naast me plaatsnam was het net alsof ik me plots  om half vier’s nachts in het urinoir van een overvol café bevond.
Tot overmaat van ramp wilde hij helemaal naar zijn zoon in Vélez-Málaga. Dat hij daarheen moest was overigens samen met dat hij net als ik José Antonio heette ook meteen zo’n beetje alles wat ik verstond onderweg.
In recordsnelheid leverde ik hem af in Vélez, scheurde met alle raampjes open door naar het winkelcentrum en bemachtigde de grootste spuitbus cockpitspray die ik kon vinden.
Toch heeft dat eerste, geurige avontuur me er gelukkig niet van weerhouden om de afgelopen vijftien jaar tientallen mannetjes mee te nemen. Want naast dat het goed was voor mijn Andalu –het lokale dialect gekenmerkt door het afkorten en aan elkaar breien van woorden – knapte mijn huerta (moestuin) er ook enorm van op. Zestig, zeventig, wat zeg ik, soms tachtig jaar ervaring met weerbarstige barro (kleigrond), die in de zomer hard als steen is en in de winter binnen vijf minuten je laarzen zo zwaar maakt dat je amper meer vooruit komt, is natuurlijk goud waard voor een guiri die ook zijn eigen groente wil proberen te kweken.
Zo leerde ik wie in de omgeving de beste estiércol (mest) had en hoe ik die moest laten besterven, hoeveel water ik mijn aguacates moest geven en welke tomatensoort het lekkerst was.huerta-01017
Langzaam maar zeker veranderde mijn armetierige huerta in een echte volwaardige groentetuin.
Al is buurman Rafalín het daar absoluut niet mee eens.
‘Als je niet spuit wordt het nooit iets, José Antonio. Luister nou toch eens een keer naar me.’
De enige goede huerta is namelijk een platgespoten huerta, volgens mijn buurman. Keurig in rijen, kraak noch smaak en niet een plek waaruit ik iets aan mijn kinderen wil voorschotelen. Maar maak dit Rafalín maar eens duidelijk: hij heeft niet eens kinderen.
Dus slaak ik maar een diepe zucht en haal mijn schouders op.

Het mannetje met de stok is inmiddels vlakbij en Jesse stapt uit om het achterportier voor hem open te houden.
‘Gracias, José Antonio,’ hijgt de stem achter me als ik weer de weg opdraai.
José Antonio? Ken ik hem?
Ik kijk in mijn achteruitkijkspiegel. Nee, geen bekend gezicht. En iemand van die leeftijd met zo’n enorme baard vergeet je niet snel.
Mijn lifter blijkt naar Puente te willen, niet heel ver en op mijn route.
Terwijl we zitten te kletsen over het weer en het tekort aan regen waardoor het stuwmeer historisch laag staat en water straks, als het volop zomer is, een groot probleem wordt, pijnig ik mijn hersenen wie de man kan zijn.
Maar ik kom er niet uit.
Pas als hij bij het uitstappen ineens vraagt hoe het met mijn platanos staat valt de peseta. Het blijkt Domingo uit Pollo Pelao (de kale kip), een gehucht niet al te ver van Periana te zijn! Een jaar of vijf geleden heb ik hem ook in mijn auto gehad maar toen was hij nog baardloos. We kregen het toen over bananenplanten omdat ik de bladeren daarvan graag wilde gebruiken om eten in klaar te maken.
‘De bananenplanten die ze hier in de tuincentra verkopen kan je wel vergeten’, zei hij. ‘Maar ik weet nog wel ergens een soort staan die het wel overleeft. Ken je toevallig La Palma, de viveros (tuincentrum) bij de rotonde in Vélez?’
‘Ja, daar haal ik altijd mijn verse koriander. Hoezo?’
‘Nou, mijn zoon werkt daar. Je kent hem vast wel, een grote vriendelijke vent die altijd lacht. Ik geeft het wel aan hem als ik een stekje heb.’
Twee weken later werd ik bij La Palma ineens aangeschoten door een man.
‘Ik heb wat voor je,’ zei hij en hij troonde me mee naar buiten naar een bestelwagen.
Daaruit kwamen vijf bananenplanten tevoorschijn, ieder bijna een meter groot.
‘Van mijn vader, veel plezier ermee.’

dsc01482Vragend kijkt Domingo me nu aan.
‘Nou, leven ze nog?’
Ik grijns. ‘Reken maar. De grootste is al bijna vier meter. Nog bedankt overigens. En sorry, ik had je niet herkend met die baard.’
‘Ach, ik dacht, laat ik eens met mijn tijd meegaan. Maar mijn zoon vindt het maar niks. En tja, wat moet een vader dan doen? Daarom moet ik nu naar Puente: hij gaat er af!’

‘Jij had vroeger toch zo’n grote snor, pa.’
‘Ja, dat klopt. Kan jij je dat nog herinneren dan?’
‘Een beetje. Maar het kan ook zijn dat ik het me van een foto herinner.’
‘En?’
‘Nou, ik ben blij dat je dat ding niet meer hebt. Stond voor geen meter.’

Dit bericht is geplaatst in Blog. Bookmark de permalink.

10 reacties op VADERS

  1. Mattijs schreef:

    Haha wat een timing deze blog, zat net zelf te denken om mijn baard af te scheren…

  2. nicole schreef:

    Heerlijk stukje José Antonio. Hoeveel bananen had je vorig jaar? Onze bananiers zijn 3 meter en met de huidige hitte krijgen we vast mooie bananen, zonder baard.

  3. Carmen Gatsonides schreef:

    Leuk en mooi stukje! Hartverwarmend….zoals jij ook bent!

  4. Gatso schreef:

    het stukje doet me denken aan een oude indiaan die we in Arizona eens meenamen in de auto, Carmen ging achterin de krappe cabrio zitten en meneer voorin. Ze heeft het geweten….ze zat kilometers lang in de zeik lucht en was blij dat hij eruit was, en heeft mij vermanend toegesproken toch vooral het verschil te zien tussen een oude indiaan en een vieze oude zwerver….

    • José schreef:

      Ik weet dat er een indianennaam bestaat die vertaalt hij-die-naar-kots-stinkt betekent. Dus wie weet bestaat hij-die-naar-pis-stinkt ook. Heb je naar zijn naam gevraagd?

  5. Eric schreef:

    Oude mannen. Daar kun je er niet genoeg van hebben.

  6. Rosa schreef:

    leuk stukje en heel herkenbaar.Maar Pollo Pelao is geen verdwaalde kip maar een kale kip (letterlijk onthaarde kip)Hasta luego,Rosa.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *